Beelden van Vlieland

In een van zijn boeken poneert Jan van der Vegt (reisauteur, biograaf) de stelling dat hoe kleiner een gemeenschap is, hoe aardiger de mensen moeten zijn. Immers, naarlingen en oplichters kunnen zich in zo'n kleine sociale eenheid niet handhaven. Kijkt men naar twee van de kleinste gemeenten in Nederland, Vlieland en Schiermonnikoog, dan weet men meteen dat Van der Vegts these op drijfzand berust. Door de affaire-Lancee kwamen op Schier vele bedorven zaken aan de oppervlakte. Op Vlie kwam niet alleen de burgemeester in opspraak, maar ook sjoemelende gemeenteraadsleden en malverserende ondernemers.

Op het buureiland Terschelling had men nooit een hoge dunk van de Vlielanders, die kortweg `geiten' werden genoemd. De twee bekendste Hessels van Terschelling, de zanger en de jutter, beschouwen Vlieland als een ballingsoord. Wie het niet kan maken op Skylge, kan nog altijd uitwijken naar Vlie.

Maar in het handvol boeken dat aan Vlieland is gewijd, ontbreekt dat negatieve beeld. In de Marjoleintje-serie verscheen in de jaren vijftig `Marjoleintje op Vlieland', dat nu door geen kind meer gelezen wordt. `Met een ruk gooit Marjoleintje zich om op haar bed ... ops! Wat is het warm!' luidt de eerste zin van dit boek `Ze is op Vlieland, hiep hoi!' staat een paar bladzijden verder. Marjoleintje slaakt kreetjes als `Tjeemie!' en `Wat doddig!' Haar klasgenootjes roepen `Hadsee!' en `Gomps!'

Op het VVV-kantoor ving ik toevallig de woorden op van de chef die aan een badgast uitlegde hoe op Vlieland de vork in de steel zat: ,,Alleen bij rouwen en trouwen bestaat hier nog saamhorigheid. Hoe rijker een gemeenschap wordt, hoe meer het sociale element wegvalt.'' Die opmerking doe ik aan Van der Vegt cadeau.

Echt heimwee naar het verleden, toen de gemeenschap nog hecht was (en doodarm), heerst er op Vlieland niet. Dat oude Vlieland komt tot leven in het Tromp's Huys, het dorpsmuseum, waar de zeeschilderes Betzy Akersloot ooit woonde. Deze Noorse dame, die zich in 1896 op Vlieland vestigde, is op zichzelf al een biografie waard. In `De einder is te ver' (1957) probeert Pieter Terpstra de bevlogen geest van deze vrouw uit te beelden. Bij storm en noodweer doet zij haar oliegoed aan en trotseert met haar schilderskist de elementen. Spoelden er drenkelingen aan, dan was ze ter plekke om die te tekenen. Naast een zekere artistieke heeft haar werk vooral ook een documentaire waarde. In de woorden van conservator Bert Huiskes: ,,Ze laat Vlieland zien zoals het oorspronkelijk was – een boomloos eiland tussen Zuiderzee en Noordzee met één dorp, dat over zijn bloeitijd heen is. Er staan bescheiden huisjes, waarvan de bewoners op of rond het eiland de kost verdienen; in het duin grazen de geiten; mannen werken aan de strandhoofden en nu en dan biedt een oefening van de Reddingmaatschappij afleiding. Voor ieder wacht het kerkhof met zijn walviskaken.''

In `Het schepenboek' van Bert Jansen is er evenmin iets mis met Vlieland. Daarin is sprake van een huis `dat de merkwaardige naam Vertuid draagt'. Sommige badgasten denken dat het om een Latijns woord gaat. Dat is niet het geval. Wie `Het barkschip Amicitia' van Ton Pronker opslaat weet wel beter. Teunis doopte het huis `Vertuid', het voltooid deelwoord van vertuien, dat is een schip tussen twee ankers leggen.

Zeer onlangs publiceerde Vonne van der Meer haar roman `Eilandgasten', waarin evenmin een onvertogen woord over Vlieland valt. Haar hoofdpersoon is een vakantiehuisje, Duinroos, waarvan de huurders een zomer lang worden gevolgd. Het enige wat een Vlielandganger zal verbazen is dat Duinroos op een heel andere plek ligt en er heel anders uitziet.

Kortom, in de handen van schrijvers is Vlieland een rustiek oord waar het goed toeven is. Stappen er echter journalisten van boord, dan wekken zij in hun artikelen steevast Sodom en Gomorra tot leven.