Politiek moet bondgenoten elders zoeken

De pleidooien voor het herstel van het politiek primaat en gezag van Bram Peper en Ad Melkert beogen een versterking van de politieke democratie en verdienen alleen al uit dien hoofde steun. Het huidige debat mist echter een bredere dimensie. Thema's als de ministeriële verantwoordelijkheid en staatkundige vernieuwing voeren de boventoon. Maar wanneer wij onze blik beperken tot Nederland, kan geen oplossing gevonden worden.

Globalisering en de groeiende invloed van de markt hebben de positie van de burger, de staat en de politiek veranderd. En staatkundige en bestuurlijke vernieuwingen alleen zullen het politiek primaat niet herstellen. De crux van de zaak is de burger weer bij de politiek te betrekken. Daarvoor moet de politiek van haar voetstuk afstappen en op gelijkwaardige wijze een verbond aangaan met maatschappelijke organisaties die haar ambities delen.

De politieke partijen zijn de afgelopen decennia geconfronteerd met een sterke relativering van partijpolitiek door de burger. Als zuil hebben de politieke partijen afgedaan en derhalve is nog nauwelijks sprake van het automatisme waarmee in vroegere tijden personen zich bij een politieke partij aansloten. De meeste politieke partijen kampen dan ook met een teruggang van het aantal leden. Burgers moeten geïnspireerd raken door de idealen van een partij en de wijze waarop de partij deze idealen vormgeeft, voordat zij zelf daadwerkelijk deel van deze partij willen uitmaken.

Veel geëngageerde burgers kiezen tegenwoordig voor een lidmaatschap van een concrete organisatie met concrete doelen, van Amnesty International tot de NOVIB, van het Wereldnatuurfonds tot de Eerste Nederlandse Fietsbond. In de dertien jaar dat ik buiten het partijpolitieke circuit heb meegedraaid, heb ik aan den lijve ervaren hoe politieke partijen op de relativerende houding van de burger hebben gereageerd. Zij, en op de eerste plaats toch ook wel haar politiek gekozenen, plaatsen zichzelf nog boven de maatschappelijke organisaties en weten niet goed hoe een positie in te nemen tussen het politiek primaat en politieke ideologie enerzijds en de maatschappelijke organisatie anderzijds.

Maar progressieve politieke partijen die maatschappelijke verandering en een rechtvaardige verdeling van de welvaart nastreven, kunnen niet zonder de steun van grote groepen betrokkenen en actief meedenkende burgers. De progressieve politiek moet juist profiteren van haar nieuwe mogelijkheden in de ontzuilde samenleving. Zij moet een verbond aangaan met maatschappelijke organisaties, want deze organisaties streven net als de progressieve politiek naar een duurzame, schone en sociale samenleving, zowel in Nederland en Europa, als in de rest van de wereld. Zij zijn net als de politiek op zoek naar een antwoord op de nieuwe vraagstukken van de moderne wereldsamenleving bijvoorbeeld betreffende het armoedevraagstuk of de milieuproblematiek. En daarbij zijn veel maatschappelijke organisaties vaak krachtiger in het ontwikkelen van een langetermijnvisie.

Zoals Bram Peper constateert, staat langetermijnplanning op gespannen voet met het ritme van het politiek proces. Maar langetermijnplanning is wel wat het politieke leiderschap moet nastreven, ook al vraagt dit vaak om minder populaire kortetermijnbesluiten. Nieuwe verbonden met maatschappelijke organisaties kunnen het draagvlak voor deze beslissingen vergroten. En niet minder belangrijk, politieke leiding die op basis van ideologische uitgangspunten de minder populaire besluiten weet te verdedigen, vergroot zijn politiek gezag.

Daarnaast worden de nationale politieke partijen in toenemende mate beperkt in hun invloed op de inrichting van de samenleving. Binnen internationale besluitvormingsorganen zoals de Europese Unie of de Wereldhandelsorganisatie worden gedeeltelijk buiten de zeggenschap van onze politieke partijen om besluiten met een (inter)nationale reikwijdte genomen. Toch is het van groot belang dat de progressieve politiek haar idealen blijft verdedigen en tegenwicht biedt aan de voortschrijdende invloed van de internationale markt. Sociale clausules in internationale verdragen, consumentenbescherming en voedselveiligheid, armoedebestrijding: de voorbeelden zijn legio. Ook in de internationale arena kan worden geprofiteerd van een verbond met maatschappelijke organisaties om het gezamenlijke ideaal, een rechtvaardige duurzame samenleving te bereiken.

Zo'n verbond maakt echter alleen een kans als de sterk gewijzigde nieuwe maatschappelijke verhoudingen als uitgangspunt worden genomen. Dit betekent nieuwe spelregels die de eigen rol, maar ook de autonomie en gelijkwaardigheid van de betrokkenen erkennen. Een beroep op een zuil of een hiërarchische bovenschikking van de politiek ten opzichte van een maatschappelijke organisatie past hier niet in. Dit vergt dus ook onderkenning en erkenning van de beperkingen van de partijpolitiek. Alleen in een dergelijk klimaat kan serieus naar elkaars argumenten worden geluisterd en actief worden gezocht naar win-win posities.

Vele vormen zijn denkbaar waarbinnen de samenwerking kan plaatsvinden. Partijen kunnen zich opwerpen als platform in het voorbereidingstraject van besluitvorming. Daarnaast kunnen zij zelf actief deelnemen aan reeds bestaande fora. Ook kunnen kleinere netwerken van geïnteresseerden, belangenorganisaties en partijen worden opgezet. Maar het belangrijkste is dat de politiek zelf actief zal moeten leren netwerken. Dit in tegenstelling tot de meer afwachtende houding die bepaalde partijen nu nog te vaak innemen.

Dit alles staat wellicht haaks op de traditionele rol van de politieke partijen na de Tweede Wereldoorlog en plaatst henzelf minder in het middelpunt. Maar tegelijkertijd kunnen op deze wijze in een internationaal kader burgers, politiek en idealen van maatschappelijke rechtvaardigheid op eigentijdse wijze met elkaar worden verbonden. Hierbij is de politiek niet meer een zuil boven de burgers, maar een eigentijds netwerk binnen de `Global Village'. Binnen dit kader hebben herstel van het politiek primaat en gezag voor de progressieve politiek een kans.

Max van den Berg is voorzitter van de PvdA-fractie in het Europees Parlement.