Opstand II

In de kale zone aan de stadsrand ligt het beeldenkerkhof van de oude tijden. Het terreintje is volgemetseld met roodstenen bogen, en daarop staan ze: de kameraden die elkaar de hand reiken, de leiders met brillen en aktetassen, de soldaten met vlaggen en pistolen. Zeker de helft van de beelden houdt de armen omhoog: in dit droevige oord klinkt voortdurend een gedempt `hoera'. Lelijk zijn ze niet altijd, ze waren alleen fout.

Hier vind ik het `Monument van de Martelaren' terug. De vallende figuur die ooit tegenover het districtskantoor van de communisten stond. Op 30 oktober 1956 werd dit gebouw, na een schietpartij, door een woedende massa belegerd. Het leger werd te hulp geroepen, maar de tankbemanningen draaiden hun kanonnen en begonnen het partijkantoor te beschieten. Toen secretaris Imre Mezó met een witte vlag naar buiten stapte werd hij neergemaaid. Daarna begon de bestorming. In de menigte stond György Konrád, toen 23 jaar oud. Hij zag, vertelde hij me, hoe mensen van de geheime dienst aan hun voeten werden opgehangen. ,,Ze waren daarvoor waarschijnlijk gemarteld, want ze hadden geen hemd meer aan. De mensen spuugden naar ze. Een oudere heer met een dure winterjas zei: `Foei, foei, jullie profiteerden ook van de Russen.' Hij werd ook opgehangen. Het tafereel beviel me niets.''

Later gingen er geruchten dat er onder het plein gevangeniskelders lagen. Men meende zelfs klopsignalen te horen. Met graafmachines werd een immense, lege kuil gegraven, de menigte keek ademloos toe, en niemand leek meer te beseffen wat er even verderop gebeurde.