Niet Majesteit maar Kok moet de troonrede uitspreken

Met spanning wordt jaarlijks uitgezien naar het moment waarop `Leden der Staten-Generaal' klinkt waarmee de koningin het uitspreken van de troonrede begint. Een rede met een uitgesproken politieke lading die daarom door de minister-president zou moeten worden uitgesproken, vindt Guus Peek.

Het is wenselijk en hoog tijd dat de koningin ophoudt met het voorlezen van de troonrede en dat de minister-president dit van haar overneemt. De belangrijkste reden hiervoor is dat de troonrede een uitgesproken politieke lading heeft. In de troonrede worden de beleidsvoornemens van het kabinet bekendgemaakt. Het zijn plannen van politieke partijen. Coalitiepartijen juichen ze toe, oppositiepartijen keren zich ertegen. Wanneer een kabinet van andere samenstelling aantreedt, veranderen de beleidsvoornemens. Een kabinet-Melkert/Rosenmöller levert een heel andere troonrede op dan een kabinet-Wiegel/De Hoop Scheffer. Toch leest de koningin maar door, jaar na jaar.

Ze leest dit lange en volgens velen saaie stuk voor omdat artikel 65 van de grondwet het voorschrijft. Op de derde dinsdag van september geeft zij een uiteenzetting van het door het kabinet te voeren beleid in een verenigde vergadering van de Staten-Generaal. Zo staat het er. Maar er staat ook dat de uiteenzetting namens haar gegeven kan worden. Er bestaat geen enkele grondwettelijke belemmering om een ander deze taak te geven. Geen wet hoeft gewijzigd te worden, alleen het feestprogramma moet enigszins worden aangepast.

Men zou kunnen tegenwerpen dat een dergelijke verandering in de traditie van Prinsjesdag een verzwakking van de positie van de koningin betekent. Haar rol als symbool van de eenheid van de natie en als hoofd van de regering zou er door uitgehold worden.

Daartegenover staat dat de koningin binnen de huidige enscenering een uitgesproken politieke standpunt naar buiten brengt. Zij wordt gezien als degene die de voorstellen doet. En al worden haar woorden gedekt door de ministeriële verantwoordelijkheid, nog steeds komen vele telefoontjes bij de NOS binnen als de politici na het uitspreken van de troonrede kritisch commentaar leveren en onderling gaan bekvechten. Telefoontjes van het soort: Nu heeft onze koningin net duidelijk gezegd hoe het moet en dan gaan de heren politici er meteen weer ruzie over maken.

Echter, identificatie met bepaalde en periodiek wisselende politieke standpunten verzwakt juist de rol van het staatshoofd als symbool van de eenheid. De koningin staat aan het hoofd van de regering, maar zij heeft er niet de leiding over. Laat daarom de regeringsleider jaarlijks een grote, visionaire, politieke rede houden. Met haar aanwezigheid maakt zij duidelijk dat zij garant staat voor het voortbestaan van de democratische grondwettelijke ordening.

Op Prinsjesdag worden twee zaken gevierd: de monarchie en de democratie. Buiten komt de monarchie ruimschoots aan bod. De gouden koets, het militaire en muzikale vertoon, het oranjezonnetje, de jurk en de hoed: alles wordt jaar na jaar uit de kast gehaald om de continuïteit van de monarchie en de dynastie van de Oranjes tot uitdrukking te brengen. Maar op het moment dat de koningin en haar gevolg de Ridderzaal betreden, verandert het feest van karakter. In de Ridderzaal wordt de parlementaire democratie gevierd. Vandaag de dag heeft de democratie steeds meer behoefte aan leiderschap: inhoudelijk maar ook zichtbaar gemaakt in betekenisvolle rituelen. In de modernisering van het ritueel in de Ridderzaal ligt een kans voor de politiek om de nieuwe eeuw te beginnen met een doordachte poging om verloren terrein in de harten en hoofden van de burgers terug te winnen.

Hoe zou een moderne versie van Prinsjesdag eruit kunnen zien? Beperken we ons tot de Ridderzaal. De Ridderzaal is natuurlijk een prachtige en geschikte plek voor de plechtigheid, maar eigenlijk zou de vergaderzaal van de Tweede Kamer, de plaats waar het hart van de democratie het vurigst klopt, een betere locatie zijn. Vóór 1904, toen de gerestaureerde Ridderzaal beschikbaar werd, was de oude vergaderzaal van de Tweede Kamer trouwens tientallen jaren de plaats waar de troonrede werd uitgesproken.

De koningin komt binnen met naast haar de voorzitter van de Tweede Kamer. Daarmee wordt tot uitdrukking gebracht bij wie het staatshoofd op dat moment te gast is. Direct achter hen lopen de minister-president en de prins-gemaal. Daarachter de ministers en overige leden van de koninklijke familie, begeleid door fractieleiders van de regeringspartijen van Tweede en Eerste Kamer. De koningin neemt plaats temidden van haar ministers. Niet op een troon maar in een opstelling die we kennen van de foto op de trappen van Huis Ten Bosch na de beëdiging van het nieuwe kabinet. Zo tonen zij dat ze samen de regering vormen. In de nieuwe opzet zitten de leden van het koninklijk huis in de zaal. Ook prins Claus, die nu toch wat ongelukkig naast de koningin zit omdat hij er constitutioneel helemaal niet hoort. De parlementariërs zitten recht tegenover de regering. Achter hen zit op een verhoging de voorzitter van de verenigde vergadering der Staten-Generaal, volgens de grondwet de voorzitter van de Eerste Kamer.

Hij heet de regering welkom en de koningin krijgt als eerste het woord. Ze spreekt kort tot de leden van de Staten-Generaal. Ze wijst hen op het belang van hun werk, de waarde van de democratie en de goede werking van het grondwettelijk bestel en ze spreekt op een of andere manier een bede uit. Ze toont zich, kortom, staande boven de partijen. Daarna spreekt de minister-president de troonrede uit, die dan natuurlijk niet meer zo heet, want hoe hoog gestegen ook, de minister-president zit nooit op een troon. Dit is het kernstuk van de modernisering van de traditie van Prinsjesdag. Juist omdat de koningin deze niet meer uitspreekt kan de rede pakkender en politieker zijn. Instemming of afkeuring kan tot uitdrukking gebracht worden, natuurlijk wel binnen de grenzen van wat parlementair betamelijk is. De koningin zwijgt en geeft daarmee aan dat zij als persoon niet in het geding is maar dat zij als staatshoofd instemt met het feit dat publieke politieke stellingname onontbeerlijk is in een vitale democratie.

Als de minister-president klaar is bedankt de voorzitter de koningin voor haar komst en haar woorden, de minister-president voor zijn uiteenzetting, en verwijst voor verdere politieke reacties naar de beraadslagingen in de beide Kamers. De koningin en haar gevolg verlaten de zaal, nu begeleid door de leiders van de oppositiepartijen in de Tweede en Eerste Kamer.

Een heikel punt is het `Leve de koningin!' Moet dat blijven klinken in een staatkundig ceremonieel? misschien is een hartelijk applaus voor het vertrekkende gezelschap een waardige vervanging voor het hoera-geroep.

Is dit het juiste moment om Prinsjesdag aan te passen aan de eisen van de tijd of is het beter de troonswisseling af te wachten? Dat laatste zou onverstandig zijn. Een pas aangetreden koning Willem IV meteen `zijn troonrede' ontnemen zou voor velen niet acceptabel zijn. Juist omdat koningin Beatrix een vrijwel onaangevochten en sterke positie inneemt, is zij bij uitstek degene die aan een andere invulling van Prinsjesdag gestalte zou kunnen geven.

Veel hangt af van de wil en de moed van de politieke leiders in parlement en kabinet. De politieke wijsheid, `kom niet aan het koningshuis want dat kost stemmen', gaat niet op als veranderingen, zoals hier voorgesteld, weloverwogen worden doorgevoerd. Een breed gesteund initiatief van de voorzitters van de beide Kamers, uitgewerkt in een speciale commissie, overgenomen door het kabinet en door de minister-president voorgelegd aan het staatshoofd kan er toe leiden dat we in 2000 een even feestelijke maar constitutioneel zuiverder Prinsjesdag vieren. Het aanzien van onze parlementaire democratie zal er bij winnen.

Guus Peek is historicus en vakdidacticus geschiedenis aan de Universiteit Utrecht.