Kwaad

Opeens word ik ontzettend kwaad over een advertentie. Hij is twee pagina's groot: één foto, één tekst. Op de foto heft een mevrouw lachend een bovenmaats wijnglas naar haar man (haar broer? haar hypotheekadviseur?). Een ober, ook al lachend, staat sfeervol iets te flamberen. Opeens vraag je je af of thuis het gas wel uit is, begint de tekst.

De beveiligingsfirma Randon biedt op familiare toon haar diensten aan. Als die mevrouw met dat glas gerust wil zijn, moet zij Randon inhuren. Dan kan zij in zo'n geval gewoon opbellen – waarvoor zij natuurlijk niet hoeft op te staan – en `een van onze mobiele surveillanten gaat graag even kijken of het gas uit is'. Voordat het zover is, krijgt zij nog een persoonlijk beveiligingsadvies dat rekening houdt met `de bouw, ligging, indeling en inrichting van haar huis', wat vast nog een heel onderzoek zal vergen. Mocht zij dan `besluiten bij ons aan te schuiven' (niet zo'n gelukkige beeldspraak: je wilt toch niet bij die petten aan tafel?), dan kan zij voortaan onbezorgd dineren.

Kortom, een advertentie aan het adres van optieregelingsmafiosi en miljonairs met geheugenstoornissen, die tobben of hun bezittingen wel veilig zijn. Ik kom haar tegen in het toch al ergerlijke glamourblad Residence. Wat is dit voor wereld? En waar is de tijd gebleven toen het netter werd geacht om niet luidkeels te adverteren met dit soort luxeproblemen?

Zinloze kwaadheid. Ik weet ook niet waarom ik mij opwind over zo'n advertentie, en niet over belangrijkere dingen. Zoals dat iemand een stukje van me pikt en op het Internet zet. Ik ben bestolen, ik vind het verkeerd en onderneem stappen, maar om nou te zeggen dat mijn hart sneller klopt, nee.

Er is veel jammers en verkeerds in de wereld. De teloorgang van de Hollandse keuken bijvoorbeeld. Of het feit dat een bisschop dezelfde opvattingen over homo's heeft als zijn Baas. De files. Menigeen maakt zich druk, heel begrijpelijk, maar ik denk: ach. Terwijl iemand maar twintig seconden een dieselmotor voor mijn raam hoeft te laten draaien en ik ben boos. Ik kan mij inhouden, maar het kost moeite.

Misschien bewijst juist de woede over futiliteiten wel dat kwaadheid op de een of andere manier een biologische functie heeft. Het lucht op, het geeft zelfs energie.

Een goede illustratie van dat laatste is een vriend van me, die eigenlijk altijd kwaad is. Niet op mij of zijn naasten, maar op de wereld als geheel, die hem voortdurend hindert. Hij is een leuke man, nuttig lid van de samenleving, maar hij hoeft maar een winkel te betreden of hij is kwaad. Omdat hij niet op slag vindt wat hij zoekt. Wat is dat voor toestand hier? Wat hij zoekt is er niet, morgen weer wel. Wat een klungels! Hij koopt iets anders, mopperend. Er staat een rij voor de kassa. Een rij!

Een gebruiksaanwijzing. Iets op de tv. Een mol. Alles kan, in het gemoed van mijn heetgebakerde vriend, het vuur der verontwaardiging doen oplaaien. En met de jaren is dat niet minder geworden, eerder integendeel. (Dat valt je trouwens toch op in het leven, dat de jaren zo zelden de spreekwoordelijke mildheid meebrengen.) Ik denk dat het pas zorgelijk wordt als hij niet meer kwaad wordt.

Waar maak ik mij zelf zoal kwaad over, buiten die motor en die patsers? Ach mevrouw, te veel om op te noemen. Feng Shui-consulenten. Sprekers die `mits' voor `tenzij' gebruiken. Mensen die andere mensen van alles wijs maken. Mensen die zich van alles wijs laten maken. De toon van Mart Smeets. Het idee dat `natuurlijk' iets betekent. Mannen op straat met blote basten en benen. Lawaai, lawaai, lawaai.

Onlangs was ik op de Domtoren in Utrecht. Ze hebben daar deze zomer aan het uitzicht zitten prutsen door `kunstwerken' in de stad te plaatsen: ideetjes, grapjes om van bovenaf te zien. Het geheel heet pretentieus Panorama 2000 (alsof het allemaal iets betekent, historisch gezien) en heeft miljoenen gekost. Waarom ben je daar nou niet kwaad over? vraagt iemand. Maar ik denk ach, kunstgeld moet toch rollen. En het maakt tenminste geen lawaai.