Een briljant jazz-visionair

Afgelopen maandag, even na negen uur, blijft de cd-speler in m'n auto voor de zoveelste keer jengelend hangen midden in een nummer op het zilveren schijfje dat ik waarschijnlijk ongewild heb beroerd met een patatvinger of een afgesleten Albert Heijn-plakzegelduim, want de minuscule restanten van dat soort activiteiten zijn nu eenmaal al funest voor het functioneren van het digitale wonder uit Eindhoven. Een eenvoudig tikje op het cd-apparaat om de boel weer op gang te brengen heeft vervolgens de uitwerking van een rake rechtse hoek. Knock-out, alle lichtjes gaan knipperend uit en automatisch schakelt m'n mobiele stereo installatie over naar Radio 1 waar op dat moment het AVRO-cultuurprogramma Opium al voor het negende jaar in de lucht is. En dat is dit keer een kardinale voltreffer.

Niemand minder dan dichter/schrijver en gerenommeerd jazzkenner Bernlef bespreekt de stand van zaken in de jazzwereld naar aanleiding van zijn laatst verschenen essay `Haalt de jazz de eenentwintigste eeuw'. Met lichte irritatie in zijn stem hoor ik hem aan de duidelijk niets van jazz afwetende presentatrice uitleggen dat die titel een persiflage is op een ander beroemd boek maar dat komt bij haar in ieder geval nauwelijks over, laat staan bij de gemiddelde Radio 1-luisteraar. Bernlef neemt daarop de enig juiste beslissing die je bij het aantreffen van onkundige interviewers moet nemen. Hij laat haar haast ongemerkt bijna niet meer aan het woord en negeert uit pure beleefdheid wat onzinnige opmerkingen omdat je je eigenlijk ook niet meer kan en mag opwinden over radiomedewerkers die niets afweten van deze door de media zelf zo vakkundig geboycotte muzieksoort.

Maar niet alleen daarmee toont hij zijn uitzonderlijke klasse als schrijver annex jazzpropagandist, want Bernlef heeft heus nog wel wat meer in huis dan journalistieke handigheidjes. Vooral zijn analyses over het ontstaan van jazz, inzicht in de verschillende stromingen, kennis van stijlbepalende musici en zijn glasheldere kijk op de stand van zaken van de hedendaagse muziek zijn inzicht-juweeltjes die mij van vreugde op m'n dashboard doen slaan en dat is minstens zo gevaarlijk als niet hands-free telefoneren. Maar echt helemaal geïnteresseerd word ik natuurlijk pas als Bernlef zijn ongedimde licht laat schijnen over de Nederlandse jazz, want daar hoor ik (niet volgens iedereen!) toch ook een beetje bij.

Een volgende klap op m'n dashboard verdient hij al meteen met de koene constatering dat de als paddestoelen uit de grond gerezen en zwaar gesubsidiëerde jazz-opleidingen vrijwel alleen vakkundige klonen hebben opgeleverd die net zo jazz spelen als het schaap Dolly kan blaten. Als Bernlef dan ook nog het recentelijk in de pers zo luid bejubelde Duke Ellington-mopjes-naspelen door al of niet aan het Concertgebouw verbonden Nederlandse Big Bands als `totale onzin' afdoet, parkeer ik m'n auto langs de kant van de weg om maar niets te missen van zijn waarschijnlijk briljante eind-visie op de stand van zaken in de Nederlandse jazz. De jazz is gered!

Van pure opwinding over zoveel plotselinge erkenning van iemand die nota bene tot voor kort nog voorzitter was van een jazzstichting die ik, op z'n zachtst gezegd, beschuldigde van activiteiten die funest waren voor de ontwikkeling van de Nederlandse jazz, sla ik dubbelhard op m'n dashboard omdat het uur van de waarheid nu eindelijk aangebroken is.

En dat had ik beter niet kunnen doen, want door die klap valt niet alleen Radio 1 uit, maar krijg ik bovendien de jengelende cd weer vakkundig op gang. Ik mis daardoor niet alleen Bernlefs laatste oordeel maar bovendien ook het einde van dat voortreffelijke AVRO-radio-programma Opium, zodat ik nooit te weten zal komen of de jazz nu wél of niet de eenentwintigste eeuw zal halen met of zonder onze gezamenlijke eindconclusie. Het blijft gissen, en dat is toch op z'n minst echt wel vervelend te noemen.