Couperus kalmpjes op het toneel

Na twee jaar gesloten te zijn geweest wegens een ingrijpende renovatie – van de Belgische architect Charles Vandenhove – heropende afgelopen zaterdag de Koninklijke Schouwburg in Den Haag op toepasselijke wijze met de première van Oude Mensen, een toneelstuk van Willem Jan Otten naar Louis Couperus door het huisgezelschap Het Nationale Toneel. Couperus zou het feestgedruis mooi hebben kunnen beschrijven: de uitzinnige japon van wethoudster Financiën en Cultuur, Louise Engering, die een al even uitzinnig lange toespraak vol superlatieven hield, de bijna kinderlijke blijdschap van theaterdirecteur Hans van Westreenen met de koninklijke onderscheiding die hij kreeg opgespeld door burgemeester Deetman, het ge-netwerk in de zaal dat van geen wijken wist en het begin van de voorstelling ruimschoots overstemde, de onconventionele nonchalance waarmee de humanistische theatermaker Erik Vos zijn auto op een invalideparkeerplaats pal naast de Schouwburg parkeerde.

De werkelijkheid paste de verbeelding als een handschoen.

De verbeelding zelf, Oude Mensen, is een bewerking door Willem Jan Otten van Couperus' magistrale roman Oude mensen, de dingen die voorbijgaan. Ik aarzel om het woord `bewerking' te gebruiken, want in de voorstellingsbrochure legt Otten grote nadruk op de autonomie van zijn stuk. Volgens hem ,,(kan) een literair meesterwerk (-) niet worden vertaald naar toneel, zo min als een reiger door het kattenluikje kan.'' Mij ontgaat de reden van zijn terughoudendheid, al was het maar vanwege de meeslepende voorstelling die regisseur Ger Thijs zes jaar geleden maakte op basis van Couperus' De Boeken der Kleine Zielen. Het verband tussen die productie en het origineel was bovendien veel losser dan nu het geval is; met behoud van veel weliswaar strakker geformuleerde dialogen heeft Otten het boek voornamelijk `herschikt', zodat er een even praktische als klassieke eenheid van plaats is ontstaan. Daarbij heeft hij de hoeveelheid personages tot het nog altijd respectabele aantal van zestien teruggebracht, een noodzakelijke en geslaagde ingreep. Er is niets mis mee, dat Oude Mensen schatplichtig is aan het origineel, Ottens verdienste een well made play te hebben geschreven is er heus niet minder om.

Kern van stuk en roman is het geheim dat twee stokoude, nog altijd verliefde mensen, mevrouw Dercksz (gespeeld door Elisabeth Andersen) en meneer Takma (Ton Kuyl), als een zware last richting graf met zich meeslepen. Het `Ding', – de door hen beiden gepleegde moord op haar echtgenoot – vergiftigt de atmosfeer. Zonder dat van elkaar te weten kennen alle familieleden het geheim min of meer, het is een – naar mevrouw Dercksz vreest – overerfelijke doem die pas verdwijnt met haar eigen dood, die van Takma en die van bij de crime passionel betrokken dokter Roelofsz.

De Couperiaanse `sluier' die de familie tot dan bedekt, leidt tot het verreweg opzienbarendste moment in Ger Thijs' enscenering. Prachtig uitgelicht door Reinier Tweebeeke wijkt de achterwand op raadselachtige wijze uiteen, als maakten donkere onweerswolken plaats voor een heldere hemel. Het moment is de verheviging van de steeds met aanzwellende muziek begeleide hallucinaties van de oude mevrouw Dercksz, die haar bevangen in haar roerloze afwachting van het einde van haar zondige leven. Ontwerper Rien Bekkers heeft haar een plaats gegeven op het bovenste deel van een in een `bovenwereld' en `onderwereld' verdeeld toneelbeeld. Een extreem luie trap vormt de verbinding, de `Matterhorn', die de oude Takma dagelijks beklimt. Otten en regisseur Thijs maken van die beklimming een running gag, zoals Couperus die van talloze andere gedragingen van zijn personages maakt.

Sommige van hun equivalenten in de voorstelling krijgen die ook, maar ze zijn niet pregnant genoeg om een karakter te tekenen of geestig te worden. De inspanningen lijken vooral op de voortgang van het verhaal gericht te zijn geweest: de waardering van het moment waarop de achterwand uiteenwijkt wordt dan ook in belangrijke mate bepaald door het feit, dat er eindelijk iets gebeurt. Ervoor en erna kabbelt de voorstelling maar voort, looiig, mat en moeizaam, op z'n best kalmpjes. Het `geruisch' van Bekkers' heus aardige, belle époque-kostuums, de beklemming van het geheim, het venijn van het uiterlijk fatsoen willen de voorstelling maar niet doen zweven. Het is fantastisch om de prachtstem van Andersen weer eens te horen, Ton Kuyl is op dreef met een trefzekere Takma, Lou Landré met een dito Anton Dercksz en ook de stotterende ooggetuige van destijds, de Harold van Gees Linnebank, is goed getroffen. Maar van de grond, zoals destijds Kleine Zielen waarvan je hart opsprong, komt dit Oude Mensen niet. Zichtbaar is vooral de moeite en misschien wel daardoor des te minder de bezieling.

Voorstelling: Oude Mensen van Willem Jan Otten naar Couperus door Het Nationale Toneel. Regie: Ger Thijs. Decor/kostuums: Rien Bekkers. Liet: Reinier Tweebeeke. Spel: Elisabeth Andersen, Ton Kuyl, Lou Landré, Rik Launspach e.v.a. Gezien: 18/9, Koninklijke Schouwburg, Den Haag. Aldaar en elders t/m 19/12. Inl. 0900-3456789.