VN-rapport beschrijft doemscenario's over het milieu

In haar rapport GEO-2000 inventariseert de milieuorganisatie van de VN de grootste, wereldwijde bedreigingen van de natuur. Laveren tussen doemscenario's en een realistische aanpak.

In het deze week verschenen VN-rapport GEO-2000 over de situatie van het milieu is wanhopig geprobeerd positieve ontwikkelingen te signaleren. Zo wordt bijvoorbeeld gewezen op het verbod op de productie van sommige zeer giftige stoffen en op de afspraken die eerder in het Japanse Kyoto zijn gemaakt over de reductie van CO2.

Maar de 850 wetenschappers uit meer dan honderd landen die verantwoordelijk zijn voor dit toonaangevende rapport ontkomen er niet aan om zelfs over die sporadisch gunstige ontwikkelingen te somberen. De geïndustrialiseerde landen hebben met succes een aantal gevaarlijke stoffen uit het milieu verbannen, maar schromen niet de productie op beperkte schaal voort te zetten (bijvoorbeeld van sommige uiterst giftige pesticiden) voor export naar de derde wereld. De afspraken van Kyoto kunnen in het Westen alleen dankzij een slimme boekhouding gehaald worden, en dan nog staat al vast dat ze onvoldoende zijn om het broeikaseffect tegen te gaan.

Doemscenario's en milieu zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden sinds de Club van Rome in 1972 met zijn onheilspellende rapport `Grenzen aan de groei' kwam. Niemand kijkt tegenwoordig nog op van verhalen waarin dramatische stijgingen van de zeespiegel, gaten in de ozonlaag en uitputting van de aardbodem worden aangekondigd. Want is het met die voorspellingen uit Rome achteraf niet ook allemaal nogal meegevallen? De geruisloosheid waarmee de publicatie van GEO-2000 is omgeven, hoeft daarom niet te verbazen.

Wetenschappers verschillen van mening over de ernst van de situatie. Volgens de pessimisten zijn de omstandigheden aanzienlijk verslechterd sinds de Club van Rome met zijn boodschap kwam. Dat de situatie niet al veel eerder uit de hand is gelopen, is volgens hen te danken aan maatregelen die sindsdien zijn genomen. Tegenover deze onheilsprofeten staan degenen die menen dat de aardse bodemschatten nog lang niet zijn uitgeput en dat het met de opnamecapaciteit van vervuilende stoffen in het milieu veel groter is dan wel wordt aangenomen, degenen ook die stellen dat de menselijke inventiviteit een waarborg is voor technologische oplossingen van milieu-ellende.

Een voorbeeld. Volgens Klaus Hasselmann van het Duitse Max Plack Instituut voor Meteorologie, zullen warme zomers als die van dit jaar steeds vaker voorkomen. Tijdens een milieuconferentie in Hamburg wees hij er deze week op dat de stijging van de gemiddelde temperatuur met 0,7 graden sinds het begin van de industralisatie in de negentiende eeuw ertoe zal leiden dat er over vijftig jaar niet langer geskied kan worden in Duitsland. Hasselmann drong daarom aan op snelle maatregelen ter bescherming van het milieu. Maar wie zich na zo'n dreigement zorgen begint te maken, kan terecht bij wetenschappers die juist beweren dat schommelingen in het klimaat deel uitmaken van een natuurlijk proces, waarop de mens slechts zeer beperkt invloed heeft.

Ook de auteurs van GEO-2000 [www.unep.org] wijzen op de dubbelzinnigheid van de informatie. Volgens de auteurs zijn vooral de gegevens uit ontwikkelingslanden onvolledig en vaak ook onbetrouwbaar. In de geïndustrialiseerde landen zijn de cijfers zelf meestal wel betrouwbaar, maar worden ze vergaard door heel verschillende instanties en volgens verschillende methodes.

Voor Klaus Töpfer, directeur van de UNEP, de VN-organisatie voor milieu, is dat geen reden om globale rapporten als GEO-2000 naar de prullenbak te verwijzen. ,,Het is mogelijk om je heel kwaad te maken en verbijsterd te raken over wat we met de wereld doen, maar dat helpt niet'', aldus Töpfer bij de publicatie van het rapport in Londen. ,,Waar het om gaat is dat we constructief zijn en beseffen dat we iets kunnen bereiken als de politieke wil aanwezig is.''

Dat is de toon van moderne milieuorganisaties: realistisch, praktisch en waar nodig pragmatisch. Maar niet zonder engagement, zoals blijkt wanneer Töpfer op diezelfde bijeenkomst zegt dat afspraken over afvallozingen in water rivieren en stranden in sommige delen van de wereld schoner hebben gemaakt, maar er tegelijktijd op wijst dat in andere delen jaarlijks vijf miljoen kinderen onder de vijf sterven doordat ze geen schoon water krijgen.

    • Paul Luttikhuis