Visvoer

Het Arnhemse Meisje en ik wandelen langs de rand van Nederland. We waaien een doordeweekse kater uit. Het Arnhemse Meisje loopt niet ver, zij neemt plaats op een bankje. Ik ga door, 't is alles zee en wind hier. En bergen zand en nadorst op het strand. Verderop, niks fata morgana, ligt een kratje Palm in de branding. Mijn eigen merk! Aan de krat is met een zilveren draad een opener bevestigd, da's handig! Ik ontkurk een flesje, zet het aan mijn mond en begin gulzig te drinken.

Een gierende pijn splijt mijn gehemelte, bloed spuit uit mijn mond. Met mijn hand voel ik dat er een haak in geslagen is. Tot mijn ontzetting hangt die zilveren draad uit mijn mond, via opener en kratje loopt hij plotseling strakgespannen de zee in! Dan word ik met een woeste ruk schuin omhooggetrokken. Het strand onder me vervaagt. Ik hang boven de zee, probeer me los te rukken. Tevergeefs.

Met grote snelheid word ik nu de golven ingetrokken, een vage plons en ik verlies het bewustzijn. Als ik weer bijkom is het ijskoud en akelig bedompt tegelijk. Ik snak naar lucht, de haak uit mijn mond is verdwenen, de pijn is onverdraaglijk. De druk op mijn oren is zwaar. Ik blijk in een enorme luchtbel te zitten en ben niet de enige! Om mij heen nog drie of vier mensen die aan de haak geslagen zijn. Als haringen in een tonnetje. Ademnood, het zuurstofgehalte is erg laag. Af en toe golft water de luchtbel binnen. Ik worstel mij naar de wand van de bel. In de schemering (die van boven komt) zie ik het vage silhouet van een enorme vis die in zijn vinnen een scheepsmast omklemt. Weer verlies ik het bewustzijn, ik weet niet voor hoelang deze keer. Word wakker omdat er aan mij getrokken en geduwd wordt. Mijn lotgenoten schuiven mij naar voren. Ruw word ik uit de bel getrokken en met een gigantische worp uit het water terug op het strand gesmeten. Ik ben de enige... Versuft kijk ik uit over de zee, enkele lege bierflesjes ontwijkend die me nagegooid worden. Het water begint nu heftig te deinen. De mast steekt boven het water uit, verwijdert zich. Trekt, als bij een groot zeeschip, een spoor van luchtbellen achter zich aan. Verdwijnt dan onder water. Ik besef dat er voor mijn maatjes geen hoop meer is, zij worden meegesleurd naar de duistere diepten der oceaan. En in een daaropvolgend universeel moment van allesomvattend begrip weet ik waarom ik dit hachelijke avontuur heb overleefd. Mijn leven heb ik te danken aan het feit dat ik geen grote jongen ben: ik ben onder de maat.

Dan komt daar, in slow motion, het Arnhemse meisje aangehold. Ze trekt mij onder het bankje vandaan. Ik ben weer eens op mijn bek gegaan, proef het bloed in mijn mond.