Opstand I

De stad, de straten, de metro, alles is hier vol zachte stemmen, vertrouwd, op een vreemde manier. Opeens weet ik het weer: het zijn de stemmen van dat jonge echtpaar dat op een decemberdag in 1956 opeens op de stoep van ons huis stond, hij in een grote leren jas, zij met een gratie die we in Leeuwarden zelden zagen. Het zijn de stemmen die opklonken uit het houten zolderkamertje waar ze maanden bivakkeerden, en waar ik soms mocht meeproeven van paprika's en andere ongekende gerechten. Hij las almaar strips om Nederlands te leren, kocht van zijn eerste geld een motorfiets en toerde daarmee eindeloos in het rond, opgesloten in het natte, platte Friese land.

Geen Hongaar had 1956 voorzien. Het pleintje waar de opstand begon, bij het standbeeld van de revolutieheld van 1848 Sándor Petöfi, is niet meer dan een grasveldje tussen twee snelwegen aan de Donau. Je kunt er kleine, vlugge demonstraties houden, en dat deden dan ook een paar studenten, op 23 oktober 1956. Geen manifestatie liep zo uit de hand als deze. Onverwacht sloten de militairen uit de kazerne aan de overkant zich bij de studenten aan, en daarna kwamen de arbeiders, bij massa's, omdat even later ook de fabrieken uitgingen. Niets was vooraf bedacht. ,,Naar Stalin!'', riep de een, en urenlang werd er met snijbranders gezwoegd om het afgodsbeeld omver te krijgen. ,,Naar de radio!'', riep een ander, en het omroepgebouw werd door duizenden belegerd en ingenomen, en de eerste schoten vielen.

In tien uur tijd van 1848 naar 1956, zo ging het in Boedapest, en eigenlijk was het weer allemaal hetzelfde.