Opgehangen

Nu nog een stukje schrijven over de gsm of het mobieltje heeft iets van het vaststellen dat er water uit de kraan komt. Het is nieuw geweest, toen had je een tijd dat het zo hoorde en nu valt het op als er iemand in een telefooncel staat. Het wonder ligt in de snelheid waarmee het in zijn werk is gegaan. Alsof de mens eindelijk, na al die tijd te hebben gewacht, zelf zijn schepping heeft voltooid. Dit betekent dat één raadsel niet zal worden opgelost.

Hoeveel keer is het gebeurd? Ik schat de kans één op dertig. Je bent op ruime afstand van je eigen vaste telefoon die op het bureau staat, de tafel, het nachtkastje, waar dan ook, maar wel binnen gehoorsafstand. Misschien ben je aan het koffie zetten, sta je met je huissleutel in de hand voor de deur. Je hoort de telefoon gaan. Is dat mijn telefoon? Ja. Je haast je, misschien ren je, het hangt ervan af wie, wat je verwacht. Je rukt de hoorn eraf en hoort dat de andere kant heeft opgehangen. Je weet zelfs bijna zeker, de fractie van een seconde voor je het hebt vastgesteld, dat je dit zal overkomen.

Het is iets anders dan de trein die wegrijdt als je het perron opstormt, de regenbui die de optimist zonder jas treft, de open brug, de lekke band, de gemorste koffie, het gestoten hoofd. Dat hoort allemaal tot de kategorie Pech. Sommige mensen overkomt het meer dan andere, de pechvogels die als accident prone berucht zijn bij de verzekering. Tegen de opgehangen telefoon kun je je niet verzekeren. Hoe komt het, ten eerste dat het gebeurt, en ten tweede, dat je het al had verwacht?

Zit er een wetmatigheid in? Er zijn mensen die de telefoon zeven keer laten overgaan en ophangen. Anderen houden het bij tien keer. Een enkele die hardnekkig en achterdochtig is geboren, heeft een formule: eerst vijf keer, dan twee seconden wachten, dan zeven keer, vijf seconden wachten, en dan nog eens tien keer. Weinigen zijn tegen dit gedram bestand. Treft zo iemand de barrière van een antwoordapparaat, dan belt hij drie, vier keer zonder een boodschap in te spreken. Dat werkt ook, wordt me verzekerd.

Dit is een ander probleem. De twee partijen willen elkaar spreken. A oefent geduld en B haast zich. Maar geduld plus haast geven beide partijen niet voldoende respijt om het gewenste contact tot stand te brengen. Je kunt dan zeggen dat de wens van A niet krachtig genoeg is geweest, terwijl B parater en sneller had moeten zijn. Zwakke wens plus tekort aan paraatheid is: geen contact. Conclusie: eens in de zoveel tijd word je gebeld door iemand die maar matig naar het geluid van je stem verlangt, terwijl je zelf je hoofd bij iets belangrijkers had.

Het is een redenering maar geen verklaring. Want het is mogelijk dat A tien keer heeft laten rinkelen, terwijl B ergens anders met niets bijzonders bezig was. En dan, terwijl B aan het einde van zijn sprint was, werd er toch opgehangen. Misschien zal zij/hij nooit weten door wie. We kunnen rekenen en veronderstellen wat we willen, maar daar gaat het uiteindelijk om. Het drievoudig raadsel: waarom hing A op, de kwart seconde voor B de hoorn greep? Wie was de A, die op dit ogenblik in X veranderde? En hoe komt het dat dit één op de dertig keer gebeurt?

We hoeven het antwoord niet te kennen, om te weten dat de hiermee gegeven situatie een mechanisme voor dramatische hoogspanning is. Het begint melancholiek-eenvoudig: `A telephone that rings but who's to answer' uit het liedje These foolish things remind me of you. Die meesterlijke regel opent al het uitzicht op meer dan één wereld. Ik herinner me een still, een foto uit een film, waarin het slachtoffer gewurgd wordt terwijl bijna onder haar handbereik een telefoon staat te rinkelen. De Tantaluskwelling via de PTT.

In de Koude Oorlog had je de Rode Telefoon tussen het Kremlin en de Oval Office. Er is gemakkelijk een scenario te bedenken waarin wereldleider B met iets anders bezig is, terwijl wereldleider A wil melden dat per ongeluk kernraketten onderweg zijn. Je ziet de montage voor je.

Met de wereldwijde verbreiding van de gsm is dit allemaal voorbij. Iedereen heeft altijd het telefoontje bij zich. Nu groeit de eerste generatie op die het raadsel van de te vroeg opgehangen, de te laat opgenomen telefoon alleen nog uit de verhalen van vader en moeder kent. Theoriëen over het belang van de boodschap, de afstand tot het gerinkel, het geduld van A en de snelheid van B hebben hun zin verloren. De tijd tussen oproep en antwoord is te kort om nog van betekenis te kunnen zijn.

Dit, heb ik gemerkt, prikkelt veel mensen die tot oudere generaties horen. Ik zat in lijn 5, op het achterste eenpersoons bankje van het voorste gedeelte. Voor me zat een dame van een jaar of vijftig, en voor haar weer een meisje van veertien, of hoogstens zestien. In haar rugzakje ging haar gsm, melodie Für Elise. In twee tellen had ze het apparaatje aan haar oor maar nog vlugger had de dame zich voorover gebogen. Vóór het meisje iets had kunnen zeggen, riep de dame: `Ik zit in lijn 9!'

Het laatste overblijfsel van de oude telecommunicatie is een generatieconflict.