Onze Turken 2

Elsbeth Etty's column `Onze Turken' (Z, 28 aug.) heeft een sinds lang sluimerende herinnering bij mij wakker geroepen aan typische belevenissen tijdens bezoeken (als Limburger) aan Amsterdam vóór de Tweede Wereldoorlog.

Het is me toen ettelijke malen overkomen dat ik in een café een groep burgers aantrof die zo ongegeneerd luidruchtig met elkaar in gesprek waren dat er een leegte ontstond tussen hen en de andere café-klanten, van wie ik vervolgens hoorde dat er echt niets bijzonders aan de hand was. Die burgers waren immers gewoon... joden. Hoe onbelangrijk en misschien incidenteel, deze ervaring ook was, zij heeft een blijvende indruk op mij gemaakt met het gevolg dat ik mij sindsdien van deze landgenoten als groep heb gedistantieerd en de joden individueel inderdaad ging beschouwen, zoals de Amsterdammers in Etty's column als `anders, maar (toch) wel van ons'.

Dat Elsbeth Etty een dergelijke reactie aanmerkt als antisemitisch, wijst er volgens mij op dat dit begrip nu eindelijk eens op een meer objectieve en realistische wijze moet worden benaderd dan sinds de holocaust om zeer begrijpelijke redenen het geval is geweest.

In de brievenrubriek van het Zaterdags Bijvoegsel is vorige week onder het

kopje `Onze Turken 2' ten onrechte een brief geplaatst met een antisemitische

strekking. De redactie betreurt dit. De brief was bovendien ten onrechte ondertekend

met `Robert Rutten, ambassadeur des Pays Bas, Rabat'. Naar eigen zeggen heeft

de heer Rutten op de ambassade zijn postadres.