Moeilijk af te richten

Dat sociale factoren kunnen leiden tot misdadigheid is bekend. Maar ook een lage hartslag en allerlei andere kenmerken lijken een rol te spelen. Het biologische onderzoek naar misdaad komt langzaam uit het verdomhoekje.

Is het waar dat criminelen meer met hun handen bewegen dan andere mensen? En zijn ze inderdaad vaker dan gemiddeld linkshandig? En wijst die linkshandigheid werkelijk op beschadiging van de (talige) linkerhersenhelft? En wat betekent het eigenlijk dat meer dan negentig procent van de mannen die hun vrouw mishandelen ooit een hoofdwond zou hebben gehad? Klopt het dat seksuele delinquenten vaker dan gemiddeld beschadigingen hebben aan hun temporale hersenkwabben?

Veel vreemde feitjes en weinig zekerheid kenmerken het onderzoek naar criminaliteit. ``Veel onderzoek is nooit herhaald. We weten nog heel weinig. Er is enorme behoefte aan grootschalige en langdurige onderzoeken'', aldus Adrian Raine, hoogleraar psychologie aan de University of Southern California in Los Angeles. In zijn boek The psychopathology of Crime. Criminal behavior as a clinical disorder (1993) geeft Raine een lawine-achtig maar kritisch overzicht van wat bekend is. De voornaamste conclusie is dat lichamelijke kenmerken (vooral in de hersenen, zenuwstelsel en hormoonsysteem) risicofactoren kunnen vormen voor een misdadige carrière (samen met maatschappelijke en psychologische factoren). Maar welke lichamelijke kenmerken samengaan met welke specifieke misdrijven is niet duidelijk. Raine: ``Dit soort onderzoek is zolang onderdrukt dat we in feite nog maar net begonnnen zijn.''

Raine is een van de weinige internationaal vooraanstaande onderzoekers naar de niet-sociale achtergronden van misdaad en gewelddadig gedrag. Deze week was hij eregast en de voornaamste spreker op een congres aan de Vrije Universiteit over de neurobiologische factoren bij jeugdige gewelddadigheid. Raine maakte onder meer hersenscans van 41 ontoerekeningsvatbaar verklaarde moordenaars en moordenaars die om zo'n verklaring gevraagd hadden (pleading not guilty by reason of insanity). Conclusie: ze hadden opvallende schade aan de prefrontale cortex, die cruciaal wordt geacht voor rationeel gedrag. Opvallend genoeg bleek de schade het sterkst bij moordenaars afkomstig uit beschermde milieus. Daar bestaan, zo vermoedt Raine, misschien zoveel tegen misdaad beschermende sociale factoren dat er een sterke biologische factor nodig is om moordenaar te worden. ``In die zin kan het biologische onderzoek ook troost bieden aan ouders: het ligt lang niet altijd aan de opvoeding.''

Een van de organisatoren van het congres in Amsterdam was prof.dr. T. Doreleijers (kinderpsychiatrie, Vrije Universiteit). In 1995 promoveerde hij op een onderzoek waaruit bleek dat tweederde van de jeugdige criminelen die voor de kinderrechter verschijnen lijdt aan een psychische stoornis. De meeste stoornissen worden niet herkend, laat staan behandeld. Van de kinderen van 12 tot 15 jaar bleek een derde te lijden aan ADHD, een ernstige stoornis van het concentratievermogen die volgens veel artsen overigens redelijk goed te bestrijden is met medicijnen.

Zeker nu in de psychiatrie steeds meer aandacht komt voor de biologische en neurologische grondslagen van ernstige stoornissen, ligt het voor de hand om ook bij criminelen lichamelijk onderzoek te gaan doen. En dat is precies wat Doreleijers van plan is. Hij begint binnenkort een meerjarig onderzoek naar de lichamelijke kenmerken van een paar honderd kinderen met gewelddadig gedrag, vanaf hun twaalfde jaar. Neurotransmitters, testosteron, stresshormonen, elektrische geleiding van de huid, hartslag: naast psychische kenmerken zullen ook deze lichamelijke kenmerken worden gemeten. ``We denken dat crimineel gedrag niet alleen wordt veroorzaakt door een slechte opvoeding, maar ook door wat er in je lijf gebeurt'', aldus Doreleijers. Er komt een apart onderzoek naar criminele meisjes.

Voor Nederland is dit soort studies vrij nieuw. Alleen bij de afdeling kinderpsychiatrie van de Universiteit Utrecht wordt vergelijkbaar onderzoek gedaan, bij agressieve en gedragsgestoorde kinderen onder de 12 jaar (zie kader). Lange tijd gold biologisch onderzoek naar (afwijkend) gedrag als politiek besmet. ``Het is voor het eerst in vele jaren dat we in Nederland in alle openheid mogen nadenken over biologie en criminaliteit'', aldus Doreleijers.

In 1992 werd de Duijkerlezing door de psycholoog Hans Jürgen Eysenck afgelast, na een dreigtelefoontje dat die lezing verstoord zou worden wegens `facisme' en `racisme' van de spreker. Maar de beroemdste Nederlandse affaire is alweer twintig jaar oud. In 1978 ontstond in een forse rel rond de benoeming van de criminoloog W. Buikhuisen tot hoogleraar in Leiden. Buikhuisen had grootse plannen voor interdisciplinair bio-sociaal onderzoek onder misdadigers dat zou moeten leiden tot betere misdaadpreventie. Hij vermoedde dat misdaad onder meer voortkomt uit een geringere angst voor straf bij de misdadiger en dat die geringe angst veroorzaakt wordt door biologische kenmerken van het zenuwstelsel.

Niet alleen keerden veel collega-criminologen zich tegen Buikhuisens plannen, maar in het gepolariseerde klimaat van de jaren zeventig werden zijn ideeën geassocieerd met de eugenetische criminologie van nazi-Duitsland. Buikhuisen werd verketterd en is inmiddels antiekhandelaar. Doreleijers: ``Sindsdien heeft vrijwel iedere onderzoeker in Nederland afgezien van onderzoek naar de biologische determinanten van agressie, bang dat hem hetzelfde zou overkomen als Buikhuisen.''

Het sterk gegroeide wetenschappelijke prestige van het genetische onderzoek zal zeker hebben bijgedragen aan de revival van Buikhuisens interesse. Op het congres vertelde de Nijmeegse onderzoeker Han Brunner dat hij begin jaren negentig sterk twijfelde of hij wel moest publiceren dat hij bij toeval een zeldzame, genetisch bepaalde stofwisselingsziekte had ontdekt die samenhing met impulsief agressief gedrag. Hij had geen zin om het lot van Buikhuisen te delen, vertelde hij. Uiteindelijk publiceerde hij toch, want ``als arts kon ik altijd nog patiënten blijven behandelen, ook al zou mijn wetenschappelijke carrière kapot gemaakt worden.'' Maar Brunners artikel in Science werd een klassieker en inmiddels geldt hij als een veelbelovende ster aan het genetische firmament. Brunner bestrijdt overigens dat hij een 'agressie-gen' heeft ontdekt: ``Een gen alleen is niks, pas in wisselwerking met de omgeving ontstaat complex gedrag.''

``Voorbeschikking bestaat niet'', zegt ook Adrian Raine. En ook hij is zich goed bewust van de gevoeligheid van zijn onderwerp. Hij vertrok tien jaar geleden uit Engeland, omdat hij daar zijn onderzoek niet gefinancierd kreeg. Raine: ``De dominante traditie in Europa is dat misdaad ontstaat doordat de maatschappij niet deugt. Raine kan het niet genoeg herhalen: ``Biologie is geen destiny. Altijd gaat het om kansen en predisposities. Het publiek zou veel sterker wetenschappelijk moeten worden opgevoed om te beseffen dat gedrag altijd voortkomt uit de interactie tussen biologische kenmerken en de omgeving. Genen veroorzaken geen gedrag. Serotoninegehaltes ook niet. Het gaat om neigingen, die ontstaan in wisselwerking met de omgeving. Verander de omgeving en de neigingen en het gedrag veranderen mee. En hey, je kunt nu ook al op grond van zuiver sociale kenmerken voorspellen dat sommige kinderen een veel grotere kans hebben om misdadiger te worden. Ik ben ervan overtuigd dat we met meer kennis van de biologische achtergrond de misdaad kunnen terugdringen. Mensen die dit onderzoek al twintig jaar tegenhouden zijn in mijn ogen medeverantwoordelijk voor de slachtoffers die nu vallen door het gebrek aan effectieve preventieve maatregelen.''

Er is nu veel fragmentarisch onderzoek, dat elkaar vaak tegenspreekt. Wat zijn volgens u de meest harde gegevens die een biologische factor voor crimineel gedrag aannemelijk maken?

Raine: ``Kinderen die later agressief antisociaal gedrag zullen vertonen hebben een lage hartslag. Dat is onweerlegbaar. Met allerlei methodieken wordt dat telkens opnieuw gevonden, in allerlei landen. Wat dat betekent is een andere zaak. Ik denk dat het te maken heeft met een laag prikkelniveau, waardoor deze kinderen moeilijker op te voeden zijn. Maar zeker is die verklaring allerminst. En ten tweede wordt bij agressieve criminele volwassenen telkens een laag niveau aan serotonine gevonden, een neurotransmitter. Er is dus bij hen iets aan de hand in de hersenen. En ten derde blijkt op een meer algemeen niveau duidelijk uit tweeling- en adoptieonderzoek dat er een genetische component is in misdadigheid. Ook wanneer ze apart zijn opgevoed heeft de ene helft van een eeneiige tweeling een veel grotere kans misdadig te worden wanneer de andere helft het ook is. Welke genen dat dan zouden zijn, en via welk mechanisme ze tot uiting zouden komen, is nog volkomen onbekend.''

Erg hard zijn die gegevens nog niet, want het gaat altijd om samenhangen, nooit om oorzakelijke verbanden. Misschien worden die afwijkende niveaus van serotonine en testosteron wel veroorzaakt door het criminele gedrag.

``Precies, dat weten we niet. Veel verbanden kunnen ook andersom liggen. Het is bijvoorbeeld bekend dat jeugdige criminelen op hun 13de en 14de jaar een lage verbale intelligentie hebben. `Slecht functioneren van de linkerhersenhelft!' was de klassieke conclusie. Maar wij vonden onlangs bij een langdurig cohortonderzoek op het eiland Mauritius dat de kinderen die later de misdaad ingaan op hun derde jaar helemaal geen lagere verbale intelligentie hebben. Integendeel. Op hun veertiende is dat wel zo, maar dan hebben ze al een mislukte schoolcarrière achter de rug.

``En een ander voorbeeld: het lijkt erop dat veel misdadigers hersenbeschadigingen hebben. Maar hoe komen ze daaraan? Ze hebben vaak een verleden van hoofdverwondingen. Als kind zijn ze vaak uit bomen gevallen, door auto's aangereden. Het kan dus zijn dat ze daardoor hersenbeschadigingen hebben opgelopen en daardoor antisociaal gedrag vertonen. Maar het kan ook zijn dat die verwondingen een gevolg zijn van hun al bestaande afwijkende en gewelddadige gedrag en dat er dus een aangeboren factor in het spel is. En er kan ook nog iets heel anders aan de hand zijn. Als een ouder zijn of haar kind hard heen en weer schudt, kunnen ze daardoor zenuwverbindingen beschadigen die de prefrontale cortex verbindt met de rest van de hersenen. Dat hersendeel is onder meer verantwoordelijk voor gedragsreguleren, het remt allerlei impulsen. Met zo'n shaken-baby-syndrome beschadig je in feite de morele noodrem bij zo'n kind. Maar ja, hoe weet je dat een kind flink geschud is? Zolang je niet in een grootschalig onderzoek vindt dat hersenbeschadiging op het 5de jaar samengaat met geweld en misdaad op het 25ste jaar, kan je niks zeggen over causaliteit. Bij mijn weten zijn dergelijke onderzoeken er niet.''

Is het niet vreemd om gedrag te bestuderen dat gedefinieerd wordt door het juridische systeem? Misdaad is een sociale en historische constructie. Dat is toch van een heel andere orde dan lichamelijke kenmerken?

``Dat is de klassieke stellingname van de sociologie. Hoe kan een maatschappelijke constructie nu erfelijk zijn? Toch kan dat. Het is inmiddels duidelijk dat er een erfelijke predispositie bestaat voor echtscheiding. En ook bij schizofrenie speelt erfelijkheid een rol. Terwijl schizofrenie ook maar een constructie van psychiaters is, waarvan de definitie verandert met de jaren. En net als de misdaadcijfers verandert het voorkomen van psychiatrische stoornissen ook in de tijd, moet je daarom zeggen dat die geen biologische grondslag kunnen hebben? Wij gebruiken dus de klassieke definitie in dit soort onderzoek: gepakte en veroordeelde criminelen. Maar inmiddels doen we ook onderzoek in Los Angeles waarin we volwassenen vragen naar hun misdaden en hen allerlei testen afnemen onder geheimhouding.''

Gaat u er dan van uit dat de culturele misdaaddefinities universele grondslagen hebben?

``Ja, vrijwel overal wordt het als verkeerd en antisociaal gezien om zonder goede reden iemands leven te nemen. Ook is fundamenteel dat je niet zomaar bezittingen mag afpakken. Maar op een ander niveau zijn er kunstmatige verschillen, zoals drugsgebruik. In Amerika is canabis streng verboden, hier kun je het overal krijgen.

``Het gaat om de genetische en fysiologische predispositie om misdaden te plegen. Genen creëren – al dan niet onder invloed van omgevingsfactoren – een fysiologie. En of je nou in Engeland of Papoea Nieuw-Guinea woont, die fysiologie leidt weer tot gedragskenmerken zoals impulsiviteit, nooit nadenken voor je wat doen, of juist altijd precies doen wat je opgedragen krijgt. En die eigenschappen worden onderdeel van de socialisatie in de samenleving, hoe die er ook verder uitziet. Het gaat bij de biologische basis van misdaad in feite om de vraag welke genetische en fysiologische predisposities er toe leiden dat je die socialisering accepteert of niet.

``Waarom pleegt iemand géén misdaden? Omdat we een geweten hebben. En wat is een geweten? Dat is een geconditioneerde emotionele respons op bepaalde gedachten en daden. Daar word je niet mee geboren, dat wordt sociaal geconditioneerd. Dat dank je aan training door je ouders en door andere sociale krachten om je heen. Het is net als de hond van Pavlov. Je pikt als kind een koekje en je ouders straffen je, op de een of andere manier. Dat herhaalt zich een paar keer, en voortaan roept alleen de gedachte aan het pikken van een koekje een emotionele conditioneerde response op: je hart gaat sneller slaan, je voelt angst, etcetera. Dit lijkt een simpele theorie, maar het verklaart bijvoorbeeld wel waarom vrijwel niemand belastingontduiking en smokkelen echt als een belangrijke misdaad ziet. Want daarvoor zijn ze nooit als kind gestraft. En voor stelen, slaan en schoppen wel.

``Voor een geweten heb je dus goede ouders, scholen, enzovoorts nodig, met duidelijke regels waaraan je je moet houden. Maar er zijn óók kinderen die binnen dat systeem gewoon moeilijk te conditioneren zijn, door de wijze waarop ze biologisch functioneren. Zoals je ook hondenrassen hebt die moeilijk af te richten zijn. Er zijn kinderen die het helemaal niet veel kan schelen dat ze gestraft worden. Ze weten wel dat iets niet mag, maar ze voelen de autonome geconditioneerde reactie niet: geen verhoogde hartslag, geen verhoogde elektrische weerstand van de huid. En dus: geen angst. Dus die lage hartslag bij kinderen die later crimineel worden is veelzeggend, denk ik. Het is ook geen toeval dat mannen crimineler zijn dan vrouwen, en dat mannen gemiddeld een lagere hartslag dan vrouwen hebben.''

Als een kind met een lage hartslag inderdaad vijftig procent kans heeft om misdadiger te worden, wat dan?

``Dan moet je zo'n kind in ieder geval niet in de saaie klassen van het traditionele schoolsysteem laten zitten. Want als hij ook nog de pech van een laag IQ heeft, gaat hij zeker op zoek naar grotere kicks, met alle gevolgen van dien. We moeten uitdagende omstandigheden voor die kinderen zoeken. Er zijn mogelijkheden genoeg. Mensen die bommen onschadelijk maken, hebben óók een extreem lage hartslag. We moeten zoeken naar middelen om die kinderen ergens lol in te geven.''