Moderne media

Op het kantoor waar ik ooit een vakantie lang werkte, hield men zich bezig met het controleren van dossiers, aan de hand waarvan werd bepaald hoeveel dagen betrokkene recht had op een WW-uitkering. Er werkten ongeveer veertig mensen die de hele dag niet anders deden dan controleren of in de dossiers alle vereiste stukken zaten om vervolgens uit te rekenen hoeveel dagen betrokkene werkloos was geweest en welk bedrag daar dan mee gemoeid was. De chef zat voorin en wie vragen had kon bij hem terecht. Verder zag hij erop toe dat iedereen op tijd kwam en niemand te vroeg wegging. Hij deelde bovendien de dossiers uit en had zodoende zicht op de hoeveelheid werk die iedereen verzette. Het was net een klas tijdens de proefwerkweek.

Ik ben daar nooit meer terug geweest, maar ook zonder dat weet ik dat daar nu heel anders gewerkt wordt. Het gros van het werk dat er wordt verricht is inmiddels geautomatiseerd. Ook is het niet meer zo dat één chef veertig mensen onder zich heeft en precies weet wat iedereen doet. De controle die vroeger door de chef werd gedaan, is vervangen door een systeem van meer individuele begeleiding, collegiale consultatie, zelfrapportage, controle op kerncijfers, e.d.

Ook scholen gaan steeds meer gebruik maken van de hulpmiddelen die elders al lang gewoon zijn. Inmiddels zijn er voor allerlei vakgebieden hulpmiddelen beschikbaar gekomen zoals databanken met gebruikersvriendelijke zoekprogramma's waarmee je benodigde informatie kunt vinden. Dat doe je straks als je ergens werkt, dat doen de meesten inmiddels ook thuis en dus doe je dat ook op school. Die veranderde werkwijze brengt met zich mee dat er veel individueler gewerkt gaat worden.

Wat de discussie vertroebelt en wat veel verzet oproept, is de opvatting die wordt verkondigd door pleitbezorgers van ICT, informatie- en communicatietechnologie, dat door het gebruik ervan alles anders gaat worden, dat je straks niet meer al datgene zou hoeven te weten dat ook ergens te vinden is. Het gaat, zo wordt vaak beweerd, niet meer om het leren van het wat maar van het hoe; het gaat er niet om de informatie te leren (erin te stampen, weetjes en feitjes, zijn zo de negatieve kwalificaties die in dit verband worden gebezigd), maar om te weten hoe die te vinden.

Dit nu is onzin. Al eeuwenlang kennen we woordenboeken. Daar staan alle woorden in en al hun betekenissen, maar dat betekent niet dat het dankzij de aanschaf van een woordenboek minder noodzakelijk is geworden vocabulaire aan te leren. Hetzelfde geldt voor boeken over aardrijkskunde, geschiedenis en literatuur. Als je niets weet, hoef je ook niets op te zoeken, kun je dat trouwens niet eens. In dit opzicht wordt de computer ten onrechte vaak als iets volslagen nieuws geschetst.

Leerlingen zullen grosso modo hetzelfde moeten blijven leren als nu, tenzij we vinden dat bepaalde zaken niet meer van belang zijn, maar dat heeft weinig of niets met computers of automatisering te maken. Wat dat betreft is er dus niets nieuws onder de zon. Wel zal er veel individueler gewerkt gaan worden, maar dat geldt niet alleen voor het onderwijs; we zien dat in ook veel andere sectoren: verzekeringsmaatschappijen, banken, die hebben ook steeds meer verantwoordelijkheden van de vroegere chef moeten overdragen aan de individuele werknemer. Daardoor zijn andere, individuelere vormen van controle en begeleiding noodzakelijk geworden. Wat in het onderwijs bezig is te gebeuren, heeft elders dus al lang plaatsgevonden, maar het is het isolement van het onderwijs dat maakt dat wat elders gewoon is, niet tot de scholen heeft kunnen doordringen.