Knieval voor Soeharto

Marlies Glasius: Foreign policy on human rights. Its influence on Indonesia under Soeharto, Antwerpen/Groningen, Intersentia. 423 blz., Universiteit Utrecht, 1 september 1999. Promotores prof.dr. P. Baehr, prof.mr. G. van Hoof.

Ik keek er ineens anders naar, toen woensdagavond beelden van Timor in het NOS-Journaal verschenen. `Laat de vredesmacht toch vooral zo snel mogelijk komen', zei Ali Alatas, de Indonesische minister van Buitenlandse Zaken, en ik zag hoe dreigend gezichtsverlies als bij toverslag veranderde in een verwijt aan die treuzelende Verenigde Naties. Even later bleek de minister van `Transmigrasi' al bezig te zijn de tienduizenden vluchtelingen over de onbewoonde gebieden van de archipel te verspreiden. Over een terugkeer naar Oost-Timor werd niet gesproken, constateerde het Journaal droogjes. Ik dacht aan de tienduizenden vermeende sympathisanten van de communistische coup in 1965, die na jarenlange gevangenschap door de regering-Soeharto in vrijheid werden gesteld om vervolgens afgevoerd te worden naar voor de transmigratie aangewezen gebieden.

Marlies Glasius is cum laude gepromoveerd op een proefschrift waarin het machiavellisme binnenstebuiten gekeerd wordt. Hoe reageren fatsoenlijke landen op de schendingen van de mensenrechten door een onfatsoenlijk regime? Wanneer is zo'n regime bereid zich iets van die reacties aan te trekken en in ieder geval de schijn van handhaving van mensenrechten op te houden? Twee vragen waarop heel zorgvuldig gedocumenteerd en met behulp van vrij strak geformuleerde een bijna anatomisch-pathologisch antwoord gegeven wordt, dat ook weer op twee manieren gelezen kan worden. Ondemocratische regimes worden de fijne kneepjes van de politieke schaamteloosheid bijgebracht, democratische regeringen mogen schaamte voelen over de vaak fatale voorzichtigheid waarmee zij hun eigen internationale belangen in evenwicht proberen te houden met hun zorg voor de rechten van de mens buiten de eigen grenzen. De les is hard en duidelijk: een `constructieve dialoog' met schenders van mensenrechten leidt niet tot een verbetering van de situatie. `Hoe harder de actie, hoe meer kans van slagen' is de conclusie van Marlies Glasius.

Een onderwerp als de effectiviteit van het buitenlands mensenrechtenbeleid is niet gemakkelijk empirisch te onderzoeken. Werkt het, als de Nederlandse regering haar zorg uitspreekt over de schending van mensenrechten in bijvoorbeeld Oost-Timor, eventueel ook dreigt met sancties als het bevriezen van de ontwikkelingshulp? Maakt het wat uit als president Clinton met trillende lippen in de achtertuin van het Witte Huis zijn afschuw uitspreekt over de oorlogstaferelen in Dili? Beeft Jakarta als de Europese Gemeenschap eist dat het moorden ophoudt en de orde hersteld wordt? Marlies Glasius is voor enkele van de belangrijkste schendingen van de mensenrechten tijdens het regime van Soeharto precies nagegaan hoe en wanneer daar door `fatsoenlijke' landen, belangrijke internationale organisaties en groepen in Indonesië zelf op is gereageerd. Hoe ver gingen de westerse landen in hun diplomatieke démarches, hoe hard maakten zij hun dreigingen, hun consequent waren ze in de uitvoering daarvan en wat bracht de Indonesische regering ertoe om wel of niet aan de druk toe te geven.

Na de mislukte communistische couppoging van 1965 heeft de Indonesische regering honderdduizenden burgers gearresteerd en meer dan 35.000 van hen vele jaren onder zeer slechte omstandigheden gevangen gehouden zonder enige vorm van proces. Pas onder zeer grote druk van de Verenigde Staten werden deze burgers geleidelijk aan vrijgelaten. Meer dan 20 jaar na de couppoging vonden er ook nog ieder jaar enkele executies plaats. Buitenlandse protesten daartegen hielpen niet, totdat Nederland, tevens voorzitter van de groep donorlanden, een deel van de ontwikkelingshulp stopzette. De Verenigde Staten zetten zich vanaf 1988 ook in het bijzonder in om een eind te maken aan de grootschalige schending van arbeidsrechten in Indonesië. Het succes daarvan is beperkt gebleven, vooral ook omdat de uitvoering van sancties in bijna alle gevallen achterwege bleef. In alle gevallen van schending geldt bovendien dat de Indonesische regering er steeds weer in slaagde de feiten verborgen te houden en ook iedere keer weer gemakkelijk wegkwam met toezeggingen die volstrekt niet werden nagekomen.

In 1975 bezette Indonesië Oost-Timor, al eeuwenlang een Portugese kolonie. De internationale gemeenschap was zeer verdeeld over deze daad, maar de Verenigde Staten keurden de bezetting stilzwijgend goed en buurland Australië erkende zelfs de Indonesische soevereiniteit over Oost-Timor. Onder de bevolking was een meerderheid zeker meer geporteerd voor onafhankelijkheid (op zichzelf interessant hoe een koloniale geschiedenis hier tot een eigen identiteit heeft geleid, hoewel die – katholiek, Portugees – toch oorspronkelijk duidelijk opgelegd en afgedwongen is geweest), maar elk verzet werd door het Indonesische leger met geweld de kop ingedrukt. Het leger had grote belangen op en bij Timor. In Jakarta was men bang dat een toegeven op Timor voedsel zou geven aan de onafhankelijkheidsbewegingen op Nieuw-Guinea en Atjeh. Op Timor zelf had het leger, mede onder aanvoering van een schoonzoon van Soeharto, inmiddels stevig greep gekregen op de economie. Schendingen van de mensenrechten vonden na 1975 op Oost-Timor op grote schaal plaats.

Het bloedbad van Santa Cruz in 1991, toen het leger dood en verderf zaaide onder een grote groep vreedzame demonstranten, was misschien wel vooral bijzonder omdat het niet verborgen kon worden gehouden voor het oog van de wereld. De wereld reageerde toen ook direct en heftig, maar in de jaren daarvoor hadden toen mogelijk al zo'n 200.000 Timorezen door geweld van leger en milities het leven verloren. Inmiddels zijn dat er natuurlijk al zeer veel meer, maar de studie van Marlies Glasius kon daar uiteraard geen rekening meer mee houden. De meest trieste zin van haar boek is wel: `There has been no recurrence of a massacre on the scale of the Santa Cruz tragedy, either in East Timor or in Indonesia itself'.

Na het bloedbad van Santa Cruz wilde Portugal meteen een internationaal onderzoek, andere landen waren wat minder specifiek en de Indonesische regering maakte daar handig gebruik van door zelf een onderzoek in te laten stellen, dat onverwacht, maar naar later zou blijken niet zonder bijbedoeling, ook kritisch was over de rol van het leger. Er rolden een paar hooggeplaatste koppen en in hun plaats traden familieleden en vrienden van Soeharto naar voren. Het paleis maakte zelf revolutie, zou je dus kunnen zeggen. Enkele gevaarlijke concurrenten werden onschadelijk gemaakt en internationaal werd het aanzien weer wat hersteld. Niet onbelangrijk, want Soeharto hechtte toch wel aan een versterking van zijn internationale gezag en was zeker ook beducht voor de toenemende geneigdheid van de donorlanden ontwikkelingshulp te binden aan respect voor de mensenrechten.

In Oost-Timor was de mensenrechtensituatie inmiddels zo verslechterd, dat het – altijd zeer voorzichtige en discrete – Rode Kruis zich openlijk beklaagde over de onmogelijkheid gevangen gezette Oost-Timorezen te kunnen bezoeken. Een aantal landen, waaronder Nederland, was ook niet tevreden met de follow-up van het onderzoek dat de Indonesische regering had laten instellen. Nederland dreigde met een stop op de ontwikkelingshulp en met stappen om ook andere donorlanden daartoe te bewegen. De Indonesische reactie was een verrassing: men weigerde verder alle hulp van Nederland en wilde Nederland ook niet langer meer zien als coördinator van de internationale hulpprogramma's.

Marlies Glasius constateert met duidelijk gemengde gevoelens dat eigenlijk de enige politicus die zich op internationaal niveau ook persoonlijk werkelijk betrokken heeft getoond bij de gebeurtenissen op Oost-Timor, de Nederlandse minister van Ontwikkelingssamenwerking Jan Pronk, door Indonesië nogal hardhandig en zonder voor het land ernstige consequenties, van het toneel is geduwd. Uit haar hele beschrijving van de gebeurtenissen blijkt hoe weinig gecoördineerd de verschillende acties uit de westerse wereld tegen de schendingen van de mensenrechten op Oost-Timor zijn geweest, hoe voorzichtig men toch ook steeds weer was uit vrees de Indonesische regering al te zeer voor het hoofd te stoten (de veronderstelde grote Indonesische `gevoeligheid voor gezichtsverlies' leidde tot extra voorzichtigheid in de omgang met Jakarta) en de eigen belangen te schaden. Dat laatste speelt op de achtergrond steeds weer mee, want niemand wil het vierde volkrijkste land van de wereld (meer dan 200 miljoen inwoners) en een belangrijke leverancier van grondstoffen van zich vervreemden.

    • Paul Schnabel