Hollands Dagboek: Koen Gijsbers

Koen Gijsbers (41) is commandant van 1(NL)Geniehulpbataljon KFOR te Prizren. Deze eenheid is speciaal samengesteld voor humanitaire hulpverlening in Kosovo. Gijsbers is getrouwd en heeft een zoon.

Woensdag 8 september

Vandaag staat in het teken van het afronden van mijn verlof. Ik ben een klein weekje thuis en goed uitgerust. Morgen ga ik weer naar Kosovo. Er liggen een paar klusjes te wachten die ik niet op Rixt, mijn vrouw, wil afwentelen. Samen met haar en Kit, mijn zoon die afgelopen zondag 1 jaar is geworden, lunchen we gezellig aan de keukentafel. We gaan daarna naar de kinderarts voor waarschijnlijk de laatste controle na zijn moeilijke start.

's Avonds een romantische avond op het terras van het Zon- en Zeebad in Noordwijk. Een lievelingsplekje: duinen, strand, zee, een ondergaande zon. We hebben de afgelopen twee maanden gemerkt dat de band tussen ons heel sterk is. Dat voel ik vanavond.

Donderdag

Ik zit naast de twintigjarige Valmir in de oude DC-9 die me geen gerust gevoel geeft. Als hij terug is, is de familie in Priština herenigd. Hij doet veel moeite om zijn dank aan mij als symbool voor KFOR te betuigen.

Voor het verlof heb ik een nieuw plan, door mijn staf perfect in elkaar gezet, uitgegeven. Dit vormt de leidraad voor de humanitaire operatie rond Prizren, Orahovac en Malisevo. De situatie is er slecht, vooral in de hoger in de heuvels en bergen gelegen dorpen. Meer dan driekwart van de huizen heeft geen dak meer, scholen zijn vernield; de wegen waren ook voor het conflict al zodanig dat in de winter nauwelijks bevoorrading mogelijk is. Zou het project om verschillende dorpen winterhard te maken goed lopen? Zijn de maatregelen afdoende die mijn staf voor de moeilijke logistiek heeft bedacht? Er zit nog weinig orde in mijn hoofd.

Na aankomst in Skopje bespreek ik met brigade-generaal Herman Bokhoven, de contingentscommandant via wie ik met Den Haag communiceer, het bezoek van de Vaste Kamercommissie Defensie. Herman vertelt mij dat men vooral onder de indruk was van de wijze waarop wij met hulpverleningsorganisaties werken. De krijgsmacht kan een heel effectief middel zijn om hulp op de juiste plaats te krijgen.

Om 18.30 uur stap ik met dertig verlofgangers, vooral Gele Rijders, in de bus om uiteindelijk na vier uur bij de grens met Kosovo te hebben gestaan om twee uur 's nachts aan te komen in Prizren. Ik heb onderweg een goed gesprek met een sergeant die wegens een sterfgeval thuis is geweest. Wat zijn onze militairen toch gemotiveerd voor inzet in het buitenland; wat belasten wij daarmee de achterban. Dat voel je pas echt als je zelf gaat.

Vrijdag

Bij de dagelijkse morning prayer van 08.00 uur verwelkomt Jan Broeks, mijn plaatsvervanger, mij met de zeker niet sarcastisch bedoelde opmerking `we krijgen weer leiding'. Ik glimlach. Tussen Jan en mij klikt het.

Vrijwel iedereen heeft er na de asbestaffaire zin in om weer volop humanitair aan het werk te gaan. Het werk in de dorpen voor mensen die letterlijk geen dak meer boven hun hoofd hebben, schenkt veel bevrediging. Ook merk ik dat men veel vertrouwen heeft in het plan, waarin de nodige ervaringen van het eerste deel van de operatie zijn verwerkt.

De commandant van de Gele Rijders, Ton van Loon komt langs om met mij te praten over de gevolgen voor zijn kamp van de blokkades rondom Orahovac. Waarschijnlijk moeten we zowel een nieuw kampement bouwen als het oude winterhard maken, omdat het tijdstip van vertrek onzeker blijft.

Zaterdag

Voor verdere besluitvorming over mijn geniebijdrage aan de Gele Rijders wil ik me meer verdiepen in de situatie. Ik rijd met Alberdine, mijn chauffeur, naar Suva Reka, waar we het terrein rond een leegstaande fabriek bouwrijp aan het maken zijn. Daarna rijd ik over een halfverharde weg naar Orahovac en passeer zonder moeite de blokkade van de lokale bevolking. Het lijkt erop dat ze het nog lang willen volhouden. Er staan veel tenten, kachels worden aangesleept en er is inmiddels ook verlichting aangelegd. Men kijkt vriendelijk en we zwaaien. Hun motto is: NATO yes, Russia no. Wij kunnen voor onze humanitaire taak vrij het gebied in en uit. Deze kwestie is nog lang niet opgelost, denk ik.

Op ORA peil ik de stemming onder mijn genisten die het kamp tot dan toe hebben opgebouwd. Ze zitten niet lekker in hun vel. Terug gaan we via Zrze om een brug te bekijken waar die nacht een civiele vrachtwagen door de reling is gegaan. Hij is flink vernield. Mijn mensen zijn provisorische maatregelen aan het nemen om erger te voorkomen. De kinderen die op de toegangsweg van ons kamp nog steeds `NATO, NATO' juichen en bloemetjes naar binnen gooien, dwingen mijn gedachten naar thuis.

's Avonds tegen tienen ga ik patrouille lopen in de stad Prizren met wachtmeester Manfred Munters van de militaire politie. Een tweeslachtige situatie. Het leven bruist hier, terwijl er op korte afstand zoveel ellende is. Manfred loopt als een veldheer door de enge straatjes en hij babbelt vaak, vooral met jongeren, in naar het lijkt vloeiend Albanees. Hij heeft het goed naar zijn zin.

Zondag

Om 10.30 uur ga ik naar de kerk op het kamp. Dominee Jan Kombrink vertelt over de barmhartige Samaritaan. Heel toepasselijk. Ik brunch erna bij mijn infanteristen en spreek met de commandant, Edward Koning. We maken ons zorgen over het feit dat veiligheid te lichtvaardig kan worden opgevat. Kosovo lijkt een risicoloze omgeving, ook omdat je snel aan risico went.

's Middags ga ik naar de Commanders Conference van de Brigade, onder leiding van mijn operationele baas, de Duitse brigadegeneraal Sauer. Ik werk graag voor hem, vooral om zijn strategische visie op de operatie hier. We bespreken hoe we ons moeten opstellen op 19 september, wanneer het UÇK formeel ophoudt te bestaan. Voor UÇK'ers is dit een van de moeilijkste dagen in hun leven. Wij hoeven dat er niet nog eens in te wrijven.

We sluiten zoals elke keer de bijeenkomst af met een Herrenabend. Het is gezellig met Duitsers, Russen, Turken en Nederlanders. Mijn bataljon werkt in het operatiegebied van de meeste van hen. Dit was een aantal jaren terug toch ondenkbaar.

Maandag

Troepenbezoek vandaag. Ik neem tijdelijk afscheid van mijn buddy, Henk Schuurs. Henk is de hoogste onderofficier van het bataljon. Hij gaat op verlof. Het is nodig; met Jannie zal hij energie bijtanken. Na een rustige ochtend rijd ik met Ally naar Rakovina om te zien hoe mijn duikers een door de NAVO gebombardeerde verkeersbrug ter verdere vernieling voorbereiden. We hebben naast de wrakstukken een tijdelijke hangbrug gemaakt voor de schoolgaande kinderen. Nu is de verkeersbrug aan de beurt.

Servee van der Biezen, de springmeester, ken ik al jaren. Ik heb hem in het verleden een beetje opgevoed en hij mij. Ze hebben het goed voor elkaar. We zijn alle huizen tot één kilometer van de brug met een tolk langsgegaan, omdat morgen een groot gebied moet worden ontruimd. Op de weg terug rijd ik langs het dorp Randubrava, waar de enthousiaste militairen van luitenant Thijs Koks en zijn steun en toeverlaat Jan Erpeka de school weer opbouwen. Zij werken hier met een combinatie van genisten, bouwvakkers dus, en verbindingsdienstmilitairen die hun gebrek aan bouwvakkennis ruimschoots compenseren door enthousiasme en motivatie. De ramen worden weer dichtgemaakt, alles krijgt een sausje. Ook komt er een nieuwe vloer en elektra, maar dat doen we in de winter.

Dit project wordt gesponsord door USAID, een van de grotere organisaties hier. Morgen ga ik wat plannen met ze doorspreken. Op het nog platte dak bekijk ik het verwoeste dorp; acht graven trekken mijn aandacht, ze liggen in de richting van de school tegen een heuvel aan. Schoolkinderen.

De dorpsgek geeft me bij mijn vertrek een hand. Na het avondeten heb ik een voeten-op-tafelgesprek met Jan en mijn compagniescommandanten. We werken pas tien weken samen en hebben nog weinig tijd gehad fundamentele zaken uit te spreken. Jan en ik tafelen met een Kosovaars wijntje nog wat na. Het team vormt zich met de dag.

Dinsdag

Holland promotie? Met Bart Linsen, een van mijn contacten met de hulpverleningsorganisaties, ga ik naar Stephen Lennon van USAID. We maken hem enthousiast voor het opknappen van een school in een van de meest getroffen gebieden. Stephen en zijn medewerkster Dibah willen graag verder. Wij ook. Zij hebben een goed lokaal netwerk en fondsen; wij bouwtechnische kennis en goede logistiek. Stephen stelt voor om een grootschalig huizenproject te doen bij Malisevo. Ik zie mogelijkheden om ook de KFOR-Russen erbij te betrekken. Een knelpunt is transportcapaciteit. We zitten tenminste weken vol met hout en dakpannen voor Caritas, een andere hulporganisatie. Ik beloof de zaak verder uit te werken.

's Middags ga ik met Herman Bokhoven naar het vernielen van de brug. Ik heb een aantal mensen uitgenodigd, omdat je zoiets toch niet dagelijks meemaakt. Ik mag op de knop drukken. Een grote klap... een grote wolk en na het wegtrekken van de kruitdampen blijkt dat er iets te veel kapot is. We hebben geprobeerd de pijler te laten staan. Mislukt. Een korte teleurstelling, maar eigenlijk ben ik wel blij. Ik twijfelde over de sterkte van de pijler. Nu moet er een nieuwe komen.

De gasten zijn onder de indruk van het geweld van maar 40 kilo springstof. We sluiten af met genietraditie: een marketentster, brandewijn en het mineurslied. Terwijl ik `s avonds dit stuk uitwerk, gaat gejuich op in de bartent van de bataljonsstaf. We werken hard; het leven is intens. Af en toe is ontlading nodig.

Woensdag 15 september

Overleg met Taskforce Malisevo. De morning prayer gaat vandaag vooral over de gevolgen van de grote herbegrafenis van 45 UÇK'ers in de buurt. We blijven uit de buurt. Daarna vertrek ik met Ed Klok naar Taskforce Malisevo, een Russisch parachutistenbataljon. Ed houdt verbinding met hen, wanneer wij in hun gebied taken uitvoeren. Dat doen we de laatste en komende weken voortdurend.

Ik heb een afspraak voor een `officieus' bezoek. Ik bedoel daarmee even buurten, geen ceremonie en toch zaken doen. Hij geloof ik wat anders. De commandant vroeg Ed tevoren hoe een officieus bezoek overdag kan plaatsvinden. Ik bereid me op het ergste voor: wodka?

Majoor Lebedev is nogal onder de indruk van mij, ik denk vooral omdat ik aan de Olympische Spelen van Moskou heb deelgenomen. Ik geloof met hem dat ik de topsportinstelling nooit ben kwijtgeraakt. Hij heeft duidelijk meer operationele ervaring. Spannende verhalen over een ontsnapping in Sarajevo. Over Tsjetsenië praat hij, maar zegt niet veel. Het zaken doen loopt lekker. Hij wil graag meedoen met het US AID-project. Lebedev probeert de goodwill van de bevolking te winnen. Ik weet nu ook wat een officieus bezoek is. Buurten, een beetje zaken doen en een glaasje wijn; viel mee dus.

Op de weg terug doe ik nog een aantal projecten aan. Ik spreek met het hoofd van de school in Ostrosub, zojuist opgeleverd. Ally heeft moeite de dorpsjeugd buiten de jeep te houden: 1.500 kinderen zijn weer onderdak. Elders zijn we de gevolgen van een modderstroom aan het wegwerken. Het dorpshoofd vertelt me onder het genot van een stuk zelfgemaakte pizza over de oorlog, over hoe zijn vader is vermoord. Over hun drie maanden durend verblijf in de bergen. Van de 1.600 mensen zijn er pas 285 terug in het dorp. In het buitenland, is zijn verklaring.

Onderweg zie ik veel bouwactiviteit. Ondanks dit zijn er veel mensen die tussen wal en schip vallen. Daar zijn wij voor. Het is 's avonds druk bij de welfare-telefoon. Ik bel Rixt morgen wel.