Het regime van de tijd

De woede die ik kan voelen als mensen onverwacht en ongevraagd mijn huis binnenkomen als ik zelf geconcentreerd met iets bezig ben, kan behoorlijk hevig zijn. Ik ervaar het als de beroving van een schaars goed – tijd – en als een binnendringen in een veilig gewaande ruimte. Ik ben dan ook op mijn onbeleefdst: ze moeten weg, en wel snel, en ik voel me weerloos en machteloos als mensen dat niet begrijpen en blijven zitten. Soms verdwijn ik dan maar zelf, of begeleid mensen dwingend naar de buitendeur, ook als ze daar zelf nog helemaal niet aan toe zijn. Achteraf ben ik soms wel een beetje verbaasd over deze hevigheid, deze absolute noodzaak van bescherming van de eigen tijd & ruimte, maar ik heb er mee leren leven. En ik hoop anderen ook. Ter eigen verdediging voer ik soms aan dat ik met tijd heb wat anderen met geld hebben: daar mag niemand zomaar aankomen.

Met tijd ben ik zuiniger dan met geld: het regime van de tijd voel ik sterker en constanter drukken dan de beperkingen van het budget. In elk geval ga ik anders om met die druk: de druk van de tijd kan ik niet negeren, de beperkingen van het budget vallen nog wel een tijdlang te omzeilen, door rood te staan en schulden te maken. Het is eigenlijk nog erger: als de druk van de tijd te hevig wordt, wordt het verlangen die andere druk te negeren sterker, die grenzen althans even niet te voelen. Misschien ligt hier ook een van de verklaringen van de soms krachtige kooplust van mensen: als ontsnapping aan de beperkingen van het bestaan. Als manier om zich even iemand anders te voelen, iemand voor wie de taaie beperkingen van maat en getal niet gelden. En geld is rekbaarder dan tijd: de grenzen vallen – hoe tijdelijk en misleidend ook – enigszins uit te rekken. Althans, dat is het gevoel dat ik deel met generatiegenoten.

In de omgang met geld bestaan generatieverschillen, zo was ook de strekking van de bijlage die onlangs in NRC Handelsblad verscheen (2/9/1999) over schulden. `Geef nooit meer uit dan je hebt, zegt de oude calvinist. Leen zoveel je maar kunt, luidt de moderne opvatting', zo wordt het verschil in houding tussen de generaties kort en krachtig getypeerd. In geldzaken is het generatieconflict nog altijd zichtbaar, luidt de conclusie. Of het echt nu veel conflicten geeft weet ik niet, maar wel kan de uitgeefgrage houding van jongere generaties ouderen verbazen en verontrusten. Zij hebben de ervaring van schaarste aan den lijve gevoeld, en daar zijn ze naar gaan staan: zij zouden van onze schulden wakker liggen.

Een verschillende beleving van geld en van tijd kan ergernis en verbazing wekken tussen ouders en kinderen, maar ook binnen huwelijken, als de een zuiniger is met geld en de ander met tijd. Beide typen zuinigheden kunnen irriteren: het gevoel geven dat je afgemeten wordt, dat de ander niet royaal is, dat je beknibbeld wordt op iets vitaals. De vrijere omgang met het schaarse goed kan ook jaloezie wekken: zuinige mensen wensen soms dat ze bevrijd zijn van die gelddruk, kunnen dromen van ongeremd uitgeven; maar ze kunnen het niet, ze mogen het niet van zichzelf. Ze wensen soms dat de ander oppassender is, zodat zijzelf de teugels wat meer kunnen vieren en zich niet zo verantwoordelijk hoeven te voelen voor het geldbeheer.

De mensen die lijden onder het regime van de tijd, steeds die druk van de klok voelen, die inwendige wekker die niet de centen telt maar wel de minuten, kunnen met afgunst en onbegrip kijken naar mensen die zich alle tijd gunnen, die niet geplaagd worden door de klauw van de verplichtingen, de schaduw van de besognes, die kunnen ontsnappen aan het beklemde gevoel dat de tijd steeds goed besteed moet worden.

Ik weet niet welke greep erger is. De druk van chronisch geldgebrek is fundamenteler dan van schaarse tijd. Dat veel generatiegenoten de druk van de tijd klemmender vinden is onmiskenbaar een welvaartsverschijnsel.

Maar de ontregeling die een ongenode gast bij me teweeg kan brengen gaat niet alleen over tijd maar ook over ruimte: over de bescherming die het huis kan bieden, de beschutting tegen ongewenste blikken, stemmen, geuren, geluiden en aanspraken. Het huis, thuis, de betekenis van `at home': daarover binnenkort meer.