gebrek aan visie

In het bijvoegsel W&O van 28 augustus stond een commentaar van de Leidse sinoloog Idema op de jongste nota van de minister van Onderwijs. Zoals eerder die week door NRC Handelsblad wereldkundig werd gemaakt, verhuist prof. Idema binnenkort naar Harvard en het ligt daarom voor de hand zijn commentaar als een soort testament te beschouwen. De hoogleraar vertrekt en neemt de gelegenheid te baat om de minister nog eens de les te lezen.

Dat valt tegen. De opmaat tot Idema's kanttekeningen is de vaststelling dat men in de academie `lyrisch' was over de nota waar, volgens hem, inderdaad `veel goeds' over te zeggen zou zijn. Meteen daarop blijkt echter dat die blije `wetenschappers en bestuurders' wel allemaal mannen moeten zijn geweest want voor vrouwen blijven het barre tijden. Dat stelt Idema weliswaar zelf ook vast, maar het is typerend dat hij het uitsluitend heeft over het `half miljoentje' waarmee de minister de situatie voor vrouwen op de universiteit wil verbeteren. Dit bedrag is zo bespottelijk laag dat de conclusie wel moet zijn dat we hier te maken hebben met een volstrekte en schrikbarende afwezigheid van enige visie op het probleem. Zover gaat Idema echter niet. En ook in de rest van het stuk heeft hij het slechts over geld. Waarschijnlijk zonder het te willen geeft hij daarmee aan dat hij alleen nog maar kan denken in termen van het grofkapitalisme dat heden ten dage de universiteiten beheerst.

Dat stelsel is in feite gebaseerd op een plat, negentiende-eeuws utiliteitsbeginsel dat kan worden samengevat met de frase: nuttig is goed (ook in morele zin), waarbij `nuttig' mag worden vertaald met `wat geld oplevert'. Op grond van dit principe vigeert nu al jaren in het overheidsbeleid ten aanzien van de universiteit een stuitend korte-termijndenken. De pathologische regelzucht van Zoetermeer, in de nota overigens kuis aangeduid met `beleidsstapeling', is uitsluitend gericht geweest, en nog gericht, op mooie resultaten in de begroting van volgend jaar. Visie, een brede, veelomvattende blik, oog voor de lange termijn, kortom: een sturende en goeddoordachte idee ontbreekt te enen male.

Een dergelijk gebrek kenmerkt ook Idema's gemijmer over de mogelijkheid om bij de bèta-collega's maar flink wat geld weg te halen en dat aan de alfa's en de gamma's te geven. De gedachte is gespeend van alle realiteitszin en daarom niet meer dan gratuite borrelpraat — maar ze karakteriseert helaas wel de huidige manier van denken.

Niet minder is dat het geval met Idema's uitspraken over de aio`s, waar hij zijn stuk mee besluit. Het wezenlijke probleem van aio's is natuurlijk niet hun salaris, zoals hij meent, hoewel dat inderdaad wel erg krenterig is. De kwestie is veeleer het vrijwel totale gebrek aan perspectief voor jonge wetenschappers in het algemeen. Sommige aio's kunnen na hun promotie nog een zogenaamde post-docplaats bemachtigen, maar na maximaal drie jaar is in de regel ook die mogelijkheid uitgeput. Het resultaat hiervan is een groeiende groep van inmiddels duizenden wetenschappelijke paria's waar men zich geen raad mee weet en die dus maar simpelweg worden gedumpt, waarna het proces weer van voren af aan begint.

Het zou interessant zijn om, puur in termen van de `ondernemende universiteit', eens uit te rekenen hoeveel belastinggeld zo door de goot wordt gespoeld. Hoe dan ook, deze situatie heeft intussen zulke krankzinnige proporties aangenomen dat er zelfs in de nota van de minister wat bezorgd van wordt gerept. Die bezorgdheid is echter schijn, want de zwarte piet wordt natuurlijk doorgeschoven naar de bestuurderen van de universiteiten zelf.