De zweep van Kok

Zonder verzekeringsmaatschappijen kan onze ingewikkelde, welvarende maatschappij niet draaien. Zij dragen immers de financiële gevolgen van de tientallen risico's die geen mens of bedrijf zelf kan of wil dragen. Bekende voorbeelden zijn schade door brand, aanrijdingen, ziekte, bedrijfsongevallen, wettelijke aansprakelijkheid, overlijden, lang leven en arbeidsongeschiktheid.

Daarom zijn verzekeraars onze sterke schouders, die over een volle portemonnee moeten beschikken om te kunnen voldoen aan de financiële verplichtingen voor de soms zeer lange termijn. Dat mag een cent kosten, want je bent van een boel ellende af als er iets mis gaat. Daarom moeten verzekerden eerder letten op de voorwaarden en dekking dan op de premie die zij betalen. Niet iedereen heeft oog voor de verplichtingen van een (levens)verzekeraar en de premie die daar bedrijfseconomisch en verzekeringstechnisch bijhoort.

Zo voelt een lezer uit Almere zich tekortgedaan door zijn verzekeraar en ziet dolgraag dat 'premier Kok de zweep haalt over de opvolgers van de woekeraars in de tempel'. Misschien heeft het duo Zalm/Vermeend dat karweitje al van Kok overgenomen, want de levensverzekeringswereld klaagt steen en been over de nieuwe belastingplannen en ziet liever die zweep over het beroemde duo. Wat is er aan de hand?

De baas van de briefschrijver sluit in 1962 een pensioenverzekering voor hem. Na zes jaar gaat het bedrijf failliet, stopt de premiebetaling en wordt de polis premievrij gemaakt, waar de verzekerde zelf mee instemt; hij had de polis ook voor eigen rekening kunnen voortzetten. De verzekeraar berekent de rechten op 1.600 gulden per jaar aan ouderdomspensioen (vanaf 65 jaar, ingaande 1998) en 1.100 gulden weduwepensioen ingaande na het overlijden van de man.

Nu, dertig jaar later, voelt de verzekerde zich afgescheept met een fooi. Hij betaalde in zes jaar 8.400 gulden ouderdomspremie en cumuleert (rente over rente) dat bedrag 30 jaar met 7,24 procent (4 procent rente + 3,24 procent inflatie). Zo kom je op een fiks bedrag, waar de verzekeraar hem makkelijk jaarlijks 1.600 gulden van kan betalen en bovendien geld overhoudt na zijn overlijden.

De verongelijkte lezer probeerde in de afgelopen jaren zijn gelijk te halen bij verschillende instanties. De beleefde reacties liepen uiteen van bitter, onrechtvaardig tot juridisch niet onjuist, maar niemand gaf hem gelijk.

Eigenlijk is dat logisch, want de briefschrijver denkt niet aan het sterfte- en langlevenrisico dat de verzekeraar loopt, en evenmin aan de in die dertig jaar opgelopen personeels- en andere kosten. Zo rekent hij zich rijk en boos.

Een verzekeraar is geen onbezoldigd vermogensbeheerder die, achteraf gezien, de hoogst haalbare rendementen had moeten maken en deze uitdelen aan zijn verzekerden. Hij rekent met een gegarandeerde rente van circa 4 procent en houdt rekening met allerlei kosten en een winstopslag. Wie meer wil dan 4 procent vast – een winstuitkering of een geïndexeerde uitkering – moet er extra voor betalen. Niets voor niets.

Je moet de voornoemde individuele polis ook niet vergelijken met de deelname in het pensioenfonds van een onderneming of bedrijfstak. Daar heerst vaak een veelvormige, luxe solidariteit waar niemand bij stilstaat: jongeren voor ouderen, werkenden voor gepensioneerden, achterblijvers voor carrièremakers, goedlopende afdelingen voor slecht draaiende enzovoort. Maar ook daar geldt: als het bedrijf failliet gaat, komt er een kink in de kabel.

Een individuele pensioenverzekerde kan zich qua rechten en voordelen nooit vergelijken met een deelnemer in een pensioenregeling: je staat er alleen voor en de polis is en blijft een contract tussen twee partijen.

Om een indruk te geven hoe deze lezer zich verkijkt op de risico's die de verzekeraar loopt, het volgende. Hij betaalde tussen 1962 en 1968 circa 4.200 gulden voor het jaarlijkse weduwepensioen van 1.100 gulden en becijfert dat bedrag 30 jaar, opgerent tegen 7,24 procent, later op een bedrag dat ruim voldoende is om zijn weduwe te betalen na zijn overlijden. Zowel na zijn als haar overlijden blijft er een reusachtig bedrag over voor de verzekeraar. De werkelijkheid is anders.

De man had kunnen overlijden, direct na het afsluiten van de polis in 1968. Vanaf dat moment ontvangt de vrouw 1.100 gulden per jaar, mogelijk 50 jaar lang tot haar overlijden op 85 jaar. In totaal een uitkering van 55 duizend gulden, die niet betaald kan worden uit die 4.200 gulden premie. Daarvoor is de premie van andere verzekerden nodig, ook een vorm van solidariteit. Je mag dus nooit je bruto premie domweg oprenten en de verzekeraar beschuldigen van woekerpraktijken wanneer het overlijdensrisico jou niet treft.

Zit er een moraal in dit verhaal? Ja. Verzekerden hebben geen flauw idee hoe het levensverzekeringsbedrijf werkt, blijkt iedere week uit reacties van lezers. Juist nu we bijna leven in een tijd van wettelijk verplichte informatie voor financiële consumenten, siert het de verzekeraars wanneer ze eens uit zichzelf komen met een klein boekje over levensverzekeringen, dat verplicht bij ieder voorstel wordt gesloten. Als ze dat niet willen, gaat de zweep van Kok er over en blijven Zalm en Vermeend nog vier jaar langer.