De Kosovo-connectie

Door de ontwrichting van Albanië en de Kosovo-crisis zijn honderdduizenden etnische Albanezen uitgezwermd over Europa. Onder hen ook de recruten voor de meest succesvolle nieuwkomers op het criminele toneel: Albanese clans. De politie in Europa heeft er de handen vol aan. Een team van et Duitse weekblad Der Spiegel onderzocht de vertakkingen.

In Hamburg noemen ze hem de `peetvader'. Wie hem kent, raakt in de ban van zijn charisma. Zijn landgenoten vereren deze Albanees uit Kosovo als een idool. 's Nachts leidt hij een bruisend leven, overdag is hij een zorgzame huisvader. Natuurlijk kan hij zich de chicste auto's permitteren, en in het kansspel heeft hij zich ontpopt als een genie, dat kopstukken uit de gokwereld al honderdduizenden marken afhandig heeft gemaakt. Samen met zijn broers en neven vertegenwoordigt hij een schimmige macht.

Aan de seksbusiness zou dit fatsoenlijk heerschap zijn handen nimmer vuilmaken. Hij houdt de hand slechts op voor vrijwillige donaties van landgenoten uit de rosse buurt. Met de kleine dealers uit Albanië en Kosovo die in Hamburg op straat cocaïne verkopen, geeft de peetvader zich uiteraard niet af. Wel bestaat de verdenking dat hij op een hoger niveau, als groothandelaar, aan deze drug verdient.

Toen de strijd in Kosovo woedde, snoefde de peetvader dat hij honderd perfect toegeruste mannen naar het vaderland had gestuurd, maar dat baatte hem niet. Tijdens de etnische zuiveringen heeft een Servische commandant de onroerende bezittingen van de peetvader, waaronder een hotel en een exclusief casino, kort en klein laten slaan.

Wel hield de clan nog rijkelijk bezittingen over in Hamburg — goedlopende horecabedrijven, stukken grond en een netwerk van firma's, al is niet precies bekend wat hem allemaal toebehoort. In die kringen pleegt men de eigendomsverhoudingen te verhullen achter Liechtensteinse holdings. Wie de anonieme eigendomspapieren in handen heeft, valt nooit helemaal te achterhalen.

,,Het is een Sisyfuswerk'', zegt hoofd van de recherche Manfred Quedzuweit, in Hamburg belast met de strijd tegen de georganiseerde misdaad. De toestand in Hamburg is exemplarisch voor de problemen waarmee de recherche niet alleen in Duitsland maar in heel Europa kampt. Er is een hele reeks Albanese peetvaders: de Beierse recherche merkte in verschillende criminele verbanden telkens weer hetzelfde dozijn Albanese namen op. In Frankfurt kreeg de politie een groepering in de gaten die een soort knooppunt vormt in een wijdvertakt netwerk met lijnen naar Oost-Europa, Italië, Scandinavië en Zwitserland. ,,Topcriminelen'', zegt Steffen Lux, die aldaar verantwoordelijk is voor de bestrijding van de georganiseerde misdaad. De mensen die hij heeft kunnen identificeren, leiden een onopvallend maar welvarend bestaan, wonen in comfortabele huurwoningen of eigen huizen en rijden rond in de betere auto's. Zij ontmoeten elkaar in ijssalons of in eethuizen van landgenoten. Bij het telefoneren spreken zij in code; ook verwisselen zij regelmatig de gsm-kaarten in hun mobiele telefoons.

In het meest recente overzicht van de federale recherche worden de bekende, maar nog niet voor de rechter gebrachte kopstukken uit Kosovo zo gekenschetst: ,,Deze leidinggevende personen hadden het binnen hun regionale actieradius helemaal voor het zeggen. Tot de kerngroep behoorden dikwijls familieleden van de leider. Op bestuursniveau werden geen personen van andere nationaliteiten toegelaten.''

Machteloos

De beelden van de verschrikkingen in Kosovo zijn de West-Europese beschaving diep ingeprent, maar de waarheid heeft nóg een zijde, die door de collectieve ontzetting over massamoorden, verdrijvingen en brandstichting is verdrongen.

De zwaargeplaagde samenleving van Kosovo, het armenhuis Albanië en de minderheden in Macedonië en Montenegro hebben ook personen voortgebracht die op uiterst gewelddadige wijze hun netten hebben uitgeworpen over grote delen van Europa. De recherche heeft weliswaar verscheidene draden te pakken gekregen — voldoende om conclusies te kunnen trekken omtrent de omvang en aard van de criminele samenwerking — maar lang niet genoeg, want het grote overzicht ontbreekt nog.

,,Maar machteloos zijn wij niet'', zegt Jürgen Storbeck, het uit Duitsland afkomstige hoofd van Europol in Den Haag. Met de computer van dit Europese politiebureau analyseert men de laatste tijd de uit de aangesloten landen binnenstromende gegevens uit lopend en afgerond gerechtelijk onderzoek, uit douanebestanden en tal van andere bronnen. Door de lokaal verzamelde gegevens met elkaar te combineren heeft men verdachte grensoverschrijdende connecties zichtbaar kunnen maken en al een reeks nieuwe gerechtelijke onderzoeken op gang kunnen brengen.

Onlangs hebben de Europese speurders afgesproken de verdachte personen ongeacht hun herkomst aan te duiden als `etnische Albanezen'. De structuur van de misdadigersclans berust op familiebanden en -betrekkingen, die zich op de Balkan over de landsgrenzen heen uitstrekken. Hun netwerken lopen vanuit de Balkan door Oost-Europa, vormen concentraties in Griekenland, Italië, Zwitserland en Duitsland, en voeren uiteindelijk naar Scandinavië. Enkele vertakkingen reiken tot in Spanje, Portugal, Groot-Brittannië en zelfs de Verenigde Staten. Nog nooit is vanuit een zo kleine etnische groep in zo korte tijd zo reusachtig veel energie gestoken in clandestiene operaties.

Onscrupuleuze figuren zijn als vissen meegezwommen in het water van deze reusachtige exodus van hun volk, dat in zijn geheel niet meer dan 6,6 miljoen mensen telt, waarvan er ongeveer 3 miljoen in Albanië en 1,8 miljoen in Kosovo leven of leefden. Evenals in Kosovo is ook in het naburige Albanië een mengeling van vlucht uit armoede en criminele emigratie op gang gekomen. Over land trok een karavaan van een half miljoen naar het naburige Griekenland. Onder Servische druk groeide de diasporagemeenschap van Kosovaren in Duitsland tot bijna 400.000 personen, en de tweede, in Zwitserland, tot een kleine 200.000. In Italië kwamen zo'n 100.000 `etnische Albanezen' terecht, in Zweden 40.000 en in het kleine België 25.000.

Tien jaar geleden woonden er in Groot-Brittannië slechts dertig Albanezen. Daar zijn er intussen zo'n 30.000 bijgekomen, vooral uit de ontwikkelde Engelssprekende elite van Kosovo. No problem. Maar toen sluisde de Albanese bendewereld in vrachtauto's heel andere mensen via Calais en Dover het land binnen, waarna ook Groot-Brittannië kennismaakte met iets dat in andere landen al veel eerder een binnenlands veiligheidsprobleem geworden was.

De jonge emigranten, merendeels kansloos, zochten contact met landgenoten, familieleden en kennissen die al langer in het Westen waren. De leidende figuren in de netwerken kregen zeer snel door dat hun een gewillige aanhang in de schoot geworpen werd.

De Zwitserse justitie was er al in 1989 als eerste achtergekomen dat er gewelddadige elementen van ongekend kaliber in opkomst waren. In een drugszaak tegen Albanezen uit Kosovo werden de rechter van instructie, zijn opsporingsambtenaren en de tolk serieus met de dood bedreigd. Verscheidene functionarissen moesten veiligheidshalve worden overgeplaatst.

Criminele clans van `etnische Albanezen' pakken alles aan wat snel geld kan opleveren. Daarbij valt op dat zij zich niet tot een bepaald type delict beperken, al hebben zij wel hun specialismen. In de drugshandel hebben zij in korte tijd een verbluffende carrière gemaakt. Hun opmars in de rosse sector wordt gekenmerkt door meedogenloos optreden. Toen de Balkan om wapens schreeuwde grepen zij vanzelfsprekend hun kans.

Enorm profijtelijk was ook het transport van wanhopige mensen over de Adriatische Zee of over land, vaak met `doorsluisgarantie' en `kinderkorting'. Begenadigde smokkelstrategen zorgden ook voor een stroom van goederen de andere kant op waarnaar grote vraag bestond, zoals auto's, camera's en sieraden, maar ook hele partijen gestolen kleding en wat de westerse helers verder allemaal nog te bieden hadden.

Ook als georganiseerde inbrekers werden Albanezen in heel Europa berucht. Al in 1993 merkte de politie in Hamburg een Kosovaars inbrekerscollectief op van inmiddels zo'n duizend man sterk, die als sprinkhanen over hele buurten uitzwermden en het ene huis na het andere openbraken. Onder druk van het politieoptreden weken zij uit naar de omliggende gebieden. Kopstukken emigreerden en vestigden `filialen' in Brussel, Marbella en Madrid.

Boom van het bloed

Onderdeel van de netwerken is een wijdvertakt stelsel van Kosovaarse clandestiene banken. Koeriers brengen in speciale riemen en jasjes met talrijke zakken contant geld naar het vaderland. Zij dragen soms wel zes miljoen mark bij zich. Op deze wijze wordt volgens een schatting van de Federale Controledienst voor het Kredietwezen jaarlijks alleen al vanuit Duitsland `gemakkelijk' meer dan een miljard mark overgebracht. Dit archaïsche systeem functioneert ook in andere landen. Niet alleen onderwereldfiguren maken gebruik van deze clandestiene banken, maar ook emigranten die met legale inkomsten hun familie thuis steunen.

Overal waar bendes `etnische Albanezen' opereren, valt in recherchekringen te beluisteren wat de Hamburgse opsporingsambtenaar Detlef Ubben droogweg zo samenvat: ,,Zij dreigen sneller, zij mishandelen sneller, zij schieten sneller.'' Die bereidheid tot geweldpleging is een van de oorzaken waardoor deze beweging zoveel succes heeft geboekt.

Al leeft men ver van elkaar, het is toch net als in het dorp: ,,Je kent elkaar, je bent met elkaar verbonden door gezamenlijke relaties en door meer of minder hoge achting, je werkt zowel legaal als in het criminele samen, je bent getuige van de opkomst en neergang van de anderen in de gestage wisseling van de fortuin'', constateert recherchehoofd Quedzuweit.

Het zijn overblijfselen van een archaïsche stammengemeenschap die juist bij penetratie in de westerse beschaving een reusachtig concurrentievoordeel meebrengen. Hoe dik het sap is dat door de aderen van de `boom van het bloed' stroomt, blijkt uit de mate waarin men zich vooral in de bergachtige streken van Albanië en Kosovo bewust is van verwantschapsgraden. Mannen kunnen hun verwantschap doorgaans tot in de zevende, soms zelfs tot in de vijftiende graad volgen, terwijl de door huwelijk naar andere stammen weggegeven vrouwen dikwijls slechts twee of drie vertakkingen van hun `boom van de melk' kennen, en genealogisch onbelangrijk zijn.

Gedragen door de mannelijke leden van de clan ontwikkelt zich een wij-gevoel, dat bij emigratie naar de door individualisme gekenmerkte buitenwereld een aanzienlijk potentieel vormt. Een doorsnee Balkanfamilie telt tegenwoordig zo'n zestig leden, soms komen zelfs wel honderdvijftig leden bij elkaar. Wanneer zulke relatienetwerken nog versterkt worden door allianties met buren en vrienden, vormen zij een welhaast ideale basis voor eventuele criminele activiteiten.

Familietrouw geldt van oudsher als het hoogste goed. In de darwinistische strijd om het bestaan gaat het welzijn van de clan voor recht en moraal. Zo kan het zelfs gebeuren dat dochters als prostituees worden verkocht, hoewel de bescherming van vrouwelijke verwanten een van de taken is van de mannen. ,,De opoffering voor de familie gaat voor'', zegt hoogleraar etnologie Christian Giordano uit Freiburg in Zwitserland, die gespecialiseerd is in de opvattingen over eer op de Balkan en in het Middellandse-Zeegebied.

Giordano heeft waargenomen dat ook op de jongere mannen de zware druk van een `heldencultus' rust: ,,Zij moeten ongelooflijk dapper zijn; een held is iemand die tot alles bereid is om zijn familie te redden. Zij hebben wel degelijk een besef van onrecht, maar geven daar geen gehoor aan, omdat die andere norm voor hen zwaarder weegt.'' Tot op heden zegt men: `Een man zonder wapen is als een vrouw.'

De opvatting dat stammen zelf hun juridische zaken afhandelen, desnoods door middel van bloedwraak, heeft onder Turkse overheersing eeuwenlang standgehouden, heeft ook, zij het in verzwakte vorm, het totalitaire communisme overleefd, en vormt tot op heden een tegenpool van het geweldsmonopolie van de staat. Zo sterk als de loyaliteit jegens de eigen clan is, zo zwak bleef ze jegens een abstracte staat, zodat zowel in Albanië als in Kosovo het rechtsstelsel onderontwikkeld is.

Als gevolg van de onderdrukking door de Serviërs kwamen in 1990 in Kosovo duizenden Albanezen bijeen om naar oud gewoonterecht hun stamconflicten af te zweren en zich gezamenlijk te verzetten. In Albanië daarentegen zijn na het wegvallen van het communisme de bloedveten juist opgelaaid. Zo nam vorig jaar de politiecommissaris van het gangstercentrum Bajram Curri in het noorden van Albanië ontslag om de moord op zijn broer te wreken: hij doodde negen mensen – één voor elke kogel die zijn broer getroffen had.

Zulke martiale rituelen doen des te schokkender aan wanneer ze in de grote steden van het Westen worden ingevoerd: omdat in een dubieuze afrekening bij de cocaïnehandel de eer van `blonde Genci' bezoedeld was, heeft in 1994 in Hamburg maandenlang een oorlog tussen twee clans uit het zuiden en het noorden van Albanië gewoed.

De bloedwraak is, gezien de vele lijken die de Albanezen in het Westen hebben achtergelaten, volgens etnoloog Giordano een `brandende kwestie': ,,Enerzijds speelt hij een rol, anderzijds wordt hij als werktuig gebruikt. De eer wordt geënsceneerd en geïnstrumentaliseerd.'' Met archaïsche praatjes kunnen de aanvoerders van hiërarchische groepen hun soldaten motiveren, waarna de jonge krijgers aan het schieten slaan om zich het prestige van helden te verwerven, terwijl het om heel andere zaken gaat.

Inmiddels is het met het schieten en moorden wat minder geworden, maar dat betekent dat de georganiseerde misdaad in een volgende fase is aangeland: men profiteert van het gewelddadige verleden, en allerlei zaken gaan nu vanzelf. ,,Het wordt voor de politie een stuk moeilijker om succes te boeken'', stelt de federale recherche vast.

En als er al eens een Albanees wordt verhoord, zegt hij gewoonlijk niets — al helemaal niet over andere Albanezen. De kans dat een verdachte gaat praten ,,is vrijwel nihil'', zo heeft Josef Geissdörfer, hoofd van de afdeling georganiseerde misdaad in Beieren, telkens weer moeten constateren. Humane omgangsvormen maken geen indruk op mannen uit een cultuur waar gevangenen hard behandeld en zelfs gefolterd worden.

In de heroïnehandel hebben de Albanezen in de jaren negentig een greep naar de macht gedaan; de Turken van vooral Koerdische afkomst die hierin jarenlang de dienst uitmaakten, zijn op hun retour. Hun greep op de groothandel is evenwel onverminderd sterk. Onderzoek van de Zwitserse bondspolitie heeft uitgewezen dat de Turken op het hoogste niveau reusachtige hoeveelheden heroïne verkopen aan klanten uit de Albanese minderheid in Turkije. In Zuid-Duitsland is de ene stad na de andere in handen van Albanese heroïnesyndicaten gevallen. Volgens de federale recherche domineren deze inmiddels de markt in Beieren en Baden-Württemberg.

Cosa Nostra

In Rheinland-Pfalz werd Ludwigshafen welhaast overspoeld met heroïne van hoge kwaliteit tegen afbraakprijzen, totdat een in 1997 opgezette speciale werkgroep, door toonaangevende `leidende personages' te grijpen, een dealerkliek van bijna tweehonderd man wist uit te schakelen. ,,De familiegroepen omvatten zowel gezinnen als hele dorpen'', zegt hoofd van de recherche Emil Sommer. De diverse bendeleden waren al in hun geboortestreek gerekruteerd en hadden in Ludwigshafen vaste contactpersonen. Bij de heroïnehandel in het naburige Mannheim bleken ,,hele dorpsgemeenschappen'' uit Kosovo actief, zo kon Karlheinz Mann, het hoofd van de afdeling drugsbestrijding, vaststellen.

Toestanden als in de Duitse steden doen zich ook in andere landen voor. Op de Zwitserse heroïnemarkt hebben volgens de Zwitserse bondspolitie Albanezen, vooral uit Kosovo, met een combinatie van geweldpleging en dumping ,,praktisch een monopolie'' veroverd. De Zwitserse recherche is vooral onaangenaam getroffen door de inzet van Albanese kinderen, die het spul in hun schoolrugzakjes van de ene stad naar de andere transporteren.

Bijna even succesvol zijn hun landgenoten in het noorden van Europa. Walter Kegö, het hoofd van de Zweedse drugsopsporingsdienst, vermoedt dat slechts enkele Kosovaarse clans, die strategisch gunstig aan de zuid- en westkust wonen, samen 80 procent van de heroïne-invoer in Zweden voor hun rekening nemen. Toen hij dat in het openbaar zei, werd hem laster jegens een bevolkingsgroep verweten.

,,Albanezen zijn de nieuwe peetvaders van Milaan'', schrijft het Italiaanse tijdschrift L'Espresso. Albanese clans onderhouden contacten met de Siciliaanse Cosa Nostra, de Calabrische 'Ndrangheta en de Napolitaanse Camorra, maar werken vooral nauw samen met de in Apulië opererende Sacra Corona Unita.

Dat de Albanese clans samenwerken met de Italiaanse mafia, werd in 1993 in Hamburg al in een flits duidelijk, toen twee uit Palermo ingevlogen mafiosi op een binnenplaats in St. Pauli de Albanese gokker Bahri Berisha executeerden. In Griekenland is kinderprostitutie een perverse specialiteit die vooral door Albanezen wordt aangeboden. Sedert bij de ongeregeldheden van 1997 in het zuiden van Albanië een massa wapens uit geplunderde legerdepots in handen van het volk viel, zijn de Albanese verwanten in de Griekse onderwereld tot de tanden gewapend.

In België hebben Albanezen in zeer korte tijd de macht in de rosse buurten veroverd, en tienmaal zoveel meisjes uit hun eigen land als prostituees aan het werk gezet als de grootste concurrerende groep, die van de Poolse vrouwen. Het Belgische blad Knack schreef een artikel over het `Balkankartel', dat het gehele scala van de misdaad zou beheersen, ,,normlozer en gewelddadiger dan alles wat men zich voorstellen kan''.

Dat zijn de verontrustende nevenverschijnselen van de Albanese exodus. Het is voor het Huis Europa een schoolvoorbeeld van hoe de schokken op de Balkan talloze gevolgen kunnen hebben, ook in streken die ver van het epicentrum verwijderd liggen. Zolang de Albanese gangstercultuur niet door een goed functionerend rechtsstelsel wordt ingetoomd, zal waarschijnlijk ook de criminele druk op andere landen voortduren. Aan jonge aanwas in de leeftijdsgroepen die in iedere samenleving voor avonturen in de criminele sfeer gevoelig zijn, geen gebrek. Een parool van het verzet in Kosovo luidde niet voor niets: `De buiken van de Albanese moeders zijn sterker dan de Servische arrogantie'.

De auteurs: Ariane Barth, Wolfram Bickerich, Maik Grossekathöfer, Peter Onneken, Hans-Jürgen Schlamp

(Vertaling Jaap Engelsman)