Cijferen met de belastingherziening

De voorgestelde vermogensrendementsheffing heeft een lagere drempel dan de vermogensbelasting. Meer mensen moeten de belastinginspecteur inzage in hun vermogen geven.

Nederlanders die zich gespannen voorbereiden op de eeuwwisseling krijgen na deze historische gebeurtenis van het kabinet alle gelegenheid rustig af te kicken. De daarop volgende jaarwisseling wordt namelijk ook een enerverende gebeurtenis die de nodige planning vereist. Dat is het gevolg van de invoering van het deze week gepresenteerde belastingplan, om nog maar te zwijgen over de invoering van de euro.

In de vermogenssfeer ligt het cruciale punt bij de invoering van de vermogensrendementsheffing. Het vermogen wordt geacht een rendement van vier procent per jaar op te leveren en dat rendement wordt belast tegen een eigen tarief van 30 procent. Een ton brengt zo fiscaal 4.000 gulden op (ongeacht de werkelijke opbrengst) en daarover betaalt men 30 procent belasting, dus 1.200 gulden. Kort gezegd, het vermogen wordt belast tegen een tarief van 1,2 procent van dat vermogen. De huidige vermogensbelasting bedraagt 0,7 procent van het vermogen. Voor de resterende 0,5 procent bevrijdt de vermogensbezitter zich als het ware van alle huidige belastingen over de opbrengst van het vermogen. Daarbij kan het gaan om rente, huur of dividend. Dit fiscaal apart plaatsen van het vermogen heeft ook tot gevolg dat men fiscaal geen kant meer uit kan met de rente die men betaalt. De enige uitzondering blijft als vanouds de hypotheekrente, mits de schuld is aangegaan voor de verbetering of de aankoop van een eigen huis. De aftrekmogelijkheid voor de rente uit consumptief krediet, die nu nog 5.000 gulden `per persoon' bedraagt, legt automatisch het loodje.

De discussie over de vermogensrendementsheffing raakt velen omdat men er al mee te maken krijgt bij een nettovermogen vanaf 37.000 gulden (exclusief eigen huis). Daarom is het voor veel mensen verstandig om nu al de rekenmachine te pakken en zich in de nieuwe regeling te verdiepen.

Wat men gemakkelijk over het hoofd ziet, is dat de vermogensrendementsheffing aanhaakt op het netto-vermogen, dus bezittingen minus schulden. Het belastbare nettovermogen voor het eerste jaar bepaalt de fiscus door het gemiddelde te nemen van de nettovermogens van 1 januari 2001 en 31 december 2001. Mede daardoor wordt december 2000 een inkoopmaand zonder weerga. Dat wordt duidelijk bij het vergelijken van de positie van iemand die op 5 december 2000 een boot koopt van 100.000 gulden en degene die dat op 5 januari 2001 doet. De laatste betaalt 600 gulden extra vermogensrendementsheffing (1,2 procent van de helft van een ton). De ton op de bankrekening telt wel mee voor de vermogensrendementsheffing, maar de boot niet. Belangrijker is nog dat de boot door een BTW-verhoging (van 17,5 naar 19 procent) na de jaarwisseling 1.500 gulden duurder is, wat het totale verschil 2.100 gulden maakt. Voor bijvoorbeeld een auto geldt hetzelfde, die komt na de jaarwisseling ook 2,1 procent duurder uit. Of men de aankoop uit eigen zak betaalt of deze financiert, maakt daarvoor niet uit. Een lening vermindert namelijk het nettovermogen en daardoor de vermogensrendementsheffing. Van belang is dat het gaat om aankopen van goederen (geen huizen of landerijen) die men zelf of in de familie gebruikt. Die tellen namelijk niet mee voor de vermogensrendementsheffing; dat geldt trouwens ook voor kunst.

Voor mensen met zwart geld kan een extra aansporing gelden voor consumptieve aankopen. De komst van de euro kan één reden zijn. Doordat de vermogensrendementsheffing een veel lagere drempel kent dan de vermogensbelasting moeten veel meer mensen dan nu de belastinginspecteur inzage in hun vermogen geven. Dat komt niet iedereen goed uit.

Het kabinet begeleidt de belastingherziening met allerhande wetten om te voorkomen dat beleggers vóór het helemaal vervallen van de renteaftrek, in 1999 en 2000 nog veel rente aftrekken; andere regels moeten voorkomen dat beleggers nu belaste beleggingsopbrengsten doorschuiven naar 2001 en later, als die opbrengsten fiscaal neutraal kunnen worden geïncasseerd. Er komen zeker fiscale constructies op de markt waarmee men toch profijt kan trekken van het omslagpunt in belastingheffing op 31 december 2000. Staatssecretaris Willem Vermeend wil die zoveel mogelijk tegengaan en wil daarom dat in 2000 helemaal geen rente meer aftrekbaar is (behalve nog steeds de hypotheekrente). Doordat schulden meetellen in het bedrag van de vermogensrendementsheffing, herleeft vanaf 2001 een feitelijke renteaftrek en wel van 1,2 procent van het geleende bedrag. Bij een rentevoet van zes procent is daardoor weer 20 procent van de betaalde rente aftrekbaar; ongelimiteerd en ongeacht het doel van de lening. Dat is in sommige gevallen. vooral voor vermogenden, een versoepeling ten opzichte van de situatie in 1999 en in 2000.

Overigens is de nieuwe situatie voor vermogenden die nu zowel vermogensbelasting betalen als inkomstenbelasting over dividenden of rente, al snel een vooruitgang. Dat er toch gemopper weerklinkt, komt omdat heel wat vermogenden royaal gebruikmaken van de bestaande legale mogelijkheden om hun vermogen onbelast te laten renderen. Die betalen nu alleen vermogensbelasting, zodat ze er 0,5 procent op achteruit gaan. Daartegenover winnen ze de vrijheid om los van fiscale motieven de beste beleggingsmogelijkheid te kiezen. Die 0,5 procent kan daarvoor een aanvaardbare prijs zijn. Anderen ontlopen nu legaal alle heffingen. Voor hen wordt het 1,2 procent duurder. Zij staan voor de keuze dit te accepteren of hun vermogen naar het buitenland te brengen. Wie die vermogensmigratie aan de fiscus meldt, schiet daar niets mee op, want de vermogensrendementsheffing tikt door. Wie het stiekem doet, fraudeert. Dat geeft op zijn minst enig ongemak, zeker voor latere erfgenamen. Ook gaat zo'n fiscale vlucht al snel met enig rendementsverlies gepaard. Bovendien bestaat er een risico om gepakt te worden. Dat is heel klein, maar de gemoedsrust of het geweten kunnen er toch onder lijden. Aan de andere kant van de weegschaal ligt de heffing van 1,2 procent. De keuze tussen beide mogelijkheden vraagt meer dan alleen een rekenmachine.