Belastingplan is weinig rechtvaardig

Reikhalzend is er naar uitgezien: het nieuwe belastingplan. De eerste reacties waren over het algemeen positief. Maar wie goed leest moet wel concluderen dat de plannen weinig rechtvaardig zijn, meent Jan van der Geld.

De bewindslieden Zalm en Vermeend van Financiën hebben met de presentatie van hun nieuwe belastingplan euforische reacties uitgelokt. Toch is de constatering dat (bijna) iedereen er op vooruit gaat, weinig schokkend mede gezien het bedrag van vijf miljard gulden dat voor de operatie is uitgetrokken.

Wie verder kijkt dan inkomensplaatjes en de principes van het nieuwe stelsel beziet, kan niet anders concluderen dan dat het voorgestelde systeem onnodig ingewikkeld en weinig rechtvaardig is. Het belangrijkste gemis ervan is dat het draagkrachtbeginsel wordt losgelaten. Het draagkrachtbeginsel is echter geen ouderwets en overleefd principe maar een beginsel dat het waard is ook de komende eeuw te overleven.

Eén van de verworvenheden van de fiscale beschaving van de laatste eeuw is de belastingheffing van loon- en inkomstenbelasting op basis van het draagkrachtbeginsel. Daarentegen kan een systeem met verschillende tarieven voor verschillende soorten inkomen, met reële inkomensmeting náást forfaitaire inkomensvaststelling en geen verliesverrekening over de inkomensboxgrens heen, de term draagkrachtheffing niet serieus meer waarmaken. Qua fiscale beschaving zijn we terug in de 19e eeuw, toen ook met ongelijksoortige heffingen werd gewerkt.

Nu is het draagkrachtbeginsel niet van smetten vrij. Het is vaak misbruikt voor politieke doeleinden, zoals de nivellering in de jaren zeventig. Verschillende bewindsleden hebben in dat licht gemeend om wetenschappelijke inzichten voor de politieke kar te kunnen spannen. Dat is in wezen onmogelijk omdat wetenschap geen objectief uitsluitsel kan geven omtrent de gewenste mate van progressie (of degressie) van een op het draagkrachtbeginsel gebaseerd belastingtarief. Wel kan worden aangegeven wat op basis van dit beginsel niet kan.

Zo kan worden vastgesteld dat elke (reële) gulden inkomen dezelfde koopkracht verschaft en dus in principe naar hetzelfde tarief belast moet worden. Dat principe wordt losgelaten met de zogenoemde vermogensrendementsheffing van dertig procent. Waar het inkomen uit de zogeheten box 1 (inkomsten uit arbeid en winst uit onderneming) onderworpen blijft aan een progressief tarief dat oploopt tot maximaal 52 procent, wordt het inkomen uit vermogen tegen een vast, en laag, tarief belast. Het is aan geen weldenkend mens voor rechtvaardig te verkopen dat inkomsten waar men voor heeft moeten werken veel hoger worden belast dan `passief' inkomen zoals rente-inkomsten. Uit een enquête die het NIPO een paar jaar geleden hield kwam overigens naar voren dat de meeste burgers inkomen dat met arbeid is verdiend eerder lager belast zouden willen zien dan vermogensinkomsten. De wetgever stelt nu precies het tegenovergestelde voor.

De vermogensrendementsheffing is om verschillende redenen een vreemd en onrechtvaardig element in het nieuwe systeem. Allereerst wordt de heffingsgrondslag (waarover men belasting betaalt) niet juist bepaald. Men wordt niet belast voor het werkelijk genoten inkomen, maar voor een forfaitair inkomen van 4 procent per jaar van het belegde vermogen. Dat forfaitaire inkomen zal hooguit toevallig overeenkomen met het werkelijk genoten inkomen.

Kan het kabinet het vervolgens aan mensen, die bijvoorbeeld een verlies op hun beleggingen maken, uitleggen dat zij toch belast worden voor hun niet genoten inkomsten uit vermogen? En kunnen Zalm en Vermeend een werknemer uitleggen dat zijn inkomsten uit arbeid tot op de gulden nauwkeurig moeten worden gemeten en belast, maar dat we bij het vermogensrendement ineens schattenderwijs (en dus als regel te hoog of te laag) het inkomen bepalen? Hier wordt met twee maten binnen één wet gemeten.

Met de relatief soepele belastingheffing van vermogen wordt in wezen gezwicht voor belastingontwijking en -fraude. Het lijkt erop dat fiscale emigratie en belastingvlucht lonen: men krijgt er op termijn een soepele fiscale behandeling voor terug. Voor de belastingmoraal is dit een allerminst gunstig signaal. Een overheid die zich serieus bekommert om rechtvaardigheid moet binnen een belastingwet dezelfde uitgangspunten hanteren. Men kiest consequent voor het progressief belasten van al het inkomen of men kiest consequent voor de vlaktaks, een gelijke behandeling van het gehele inkomen (dus inclusief vermogensmutaties). Politiek ongewenste (denivellerende) effecten kunnen binnen een dergelijk vlaktakssysteem eenvoudig worden voorkomen met de invoering van heffingskortingen in plaats van belastingvrije sommen en bruto loonsverlaging voor veelverdienende werknemers.

De vlaktaks is rechtvaardiger, transparanter en leidt tot minder belastingarbitrage (zeker als het tarief gelijk zou zijn aan dat van de vennootschapsbelasting, namelijk 35 procent). Ook zal de kapitaal- en arbeidsmarkt beter functioneren. De rechtvaardigheid van zo'n algemene vlaktaks dient ook te worden bezien in het licht van het feit dat de progressie in de huidige tarieven op grote schaal is afgewenteld en daarom geen reële maar slechts een optische progressie is.

Prof dr. J.A.G van der Geld is hoogleraar belastingrecht aan de Katholieke Universiteit Brabant. Dit artikel kwam tot stand in samenwerking met zijn collega-hoogleraren G. Dietvorst, P. Essers, R.Happé en A. Rijkers.