`Van oude mensen, de dingen die voorbijgaan'

Louis Couperus (1863-1923) schreef Van oude mensen, de dingen die voorbijgaan in Nice, tussen september en december 1904. De eerste druk verscheen in 1906.

De roman speelt zich grotendeels af in Den Haag, eind 19de eeuw, in diverse huizen van de gegoede familie Dercksz. Matriarch van de familie is Ottilie Dercksz (97). Zittend naast het raam in haar kamer wacht zij op het dagelijks bezoek van haar minnaar, meneer Takma (93). Hun passie voor elkaar is 60 jaar geleden in Indië hun noodlot geworden toen zij samen op een nacht haar man vermoordden (,,Geef hem een por: liever hij dan jij...''). In flashbacks duikt het Ding, dat zo tergend langzaam voorbij gaat, telkens weer op. Zij hebben wroeging, angst, maar alleen de dood kan hen van hun vreselijke geheim verlossen. Voor de familie hebben ze het Ding altijd verborgen gehouden, alleen de baboe die erbij was en de medeplichtige dokter Roelofsz weten ervan, naar zij menen. Dat Ottilie's oudste zoon Harold Dercksz indertijd als dertienjarige getuige was van de moord op zijn vader, heeft hij op zijn beurt verzwegen.

In het tweede deel van het boek komt de geschiedenis in een stroomversnelling als Daan, Harolds broer, uit Indië overkomt omdat hij vernomen heeft wat er destijds is gebeurd. Steeds meer familieleden ontrafelen nu, onafhankelijk van elkaar, het mysterie. De enige die niet op de hoogte is, is Ottilie Steyn de Weert, de 60-jarige onwettige dochter van Ottilie Dercksz en Takma. De dingen gaan voorbij, maar blijven niettemin generaties lang doorwerken in de familie. Het noodlot treft Ottilie Steyn en haar zoon Lot het hardst. Ottilie's drie huwelijken zijn mislukt en Lot is onwetend van het feit dat Elly Takma, met wie hij is geëngageerd, zijn nichtje is. De oude mensen weten het wel: ,,Zij erven ons verleden. Zij erven die Angst...Zij erven onze zonde. Zij erven de straf voor wat wij gedaan hebben.''