PvdA defensieplan vergeet Duitsland niet

De defensieplannen van de PvdA hebben hier en daar tot krampachtige reacties geleid, meent Harry van den Bergh. De samenwerking met Duitsland wordt in de voorstellen niet opgezegd, maar aangepast aan nieuwe inzichten. Want ook in de Bondsrepubliek is het denken over de krijgsmacht in volle gang.

Bij alle reacties op het PvdA-plan voor de krijgsmacht, die varieerden van `veel waardering' tot `ridicuul' en tal van varianten op deze melodie, waren er toch twee uitspringende punten: de notie van het niet verder bezuinigen en de toekomst van het Duits-Nederlandse legerkorps. Dat de PvdA niet verder wil bezuinigen is alom toegejuicht.

Hier en daar is dat overigens geïncasseerd zonder acht te slaan op een reeks van voorstellen om de defensieorganisatie te stroomlijnen, gericht op efficiëntere output en voorstellen gericht op een betere sturing van het besluitvormingsproces. Ik ben toch enigszins verrast over de felheid waarmee door nogal wat partijen en personen is gereageerd op een aantal ideeën over de toekomst van het Duits-Nederlandse legerkorps. Het is overigens toch pikant te moeten vaststellen dat de Bondsrepubliek al in 1998 de betreffende overeenkomst in de Bondsdag heeft goedgekeurd, terwijl de Nederlandse wetgeving op dit punt, die dateert van 6 oktober 1997, door het kabinet zelfs nog niet aan de Raad van State is voorgelegd ter advisering. Dit toch pikante feit neemt overigens niet weg dat voor de PvdA de samenwerking met de Bondsrepubliek een zeer belangrijke prioriteit blijft en dat veranderingen in de wijze van samenwerking geconditioneerd zijn door instemming van de Duitse regering en de NAVO-autoriteiten. Aan dit principe hoeft niet getornd te worden om toch op een kritische en constructieve wijze enkele kanttekeningen te maken bij de Duits-Nederlandse samenwerking.

Bij alle euforie die ik op nogal wat plekken bespeur over de grote politieke betekenis van deze samenwerking, moet men zich toch herinneren dat deze samenwerking tot stand is gekomen, in de eerste plaats omdat het Nederlandse legerkorps, zoals dat toen bestond, niet meer aan de verplichtingen kon voldoen. Te groot, onvoldoende personeel en onvoldoende materieel, te kostbaar. Primair op die gronden is samenwerking gezocht en ik geloof dat met het argument dat deze ontwikkeling voor de `containment' van de Bondsrepubliek, 50 jaar na de oorlog, zo goed was niet al te aanmatigend moet worden omgegaan.

De Bondsrepubliek is gelukkig om heel goede redenen al heel lang vast geïntegreerd in NAVO en Europese Unie. Vooral Bondskanselier Kohl heeft op dit punt een historische bijdrage geleverd. Voor een omvorming van de bijdrage die geleverd wordt door het Duits-Nederlandse legerkorps zijn heel goede argumenten. En zozeer die voor Nederland van betekenis zijn, zullen dezelfde argumenten snel aan betekenis en kracht winnen in de discussie in Duitsland zelf. Als het zo is, dat de regering en het grootste deel van het Nederlandse parlement een hoge prioriteit geven aan de inzetbaarheid van de grondstrijdkrachten, dan kan men toch geen genoegen nemen met een plus minus 40 procent inzetbaarheid van het Nederlandse deel van het legerkorps. Er zijn niet voor niets nu grote en begrijpelijke zorgen over de voortzetting van de Nederlandse bijdrage in Bosnië en Kosovo. De effectieve sterkte van de Koninklijke Landmacht is helaas bedroevend. Er is geen verantwoord evenwicht tussen kosten en baten. Om die verhouding te verbeteren hebben wij een aantal voorstellen gedaan, die ambitieus zijn en creativiteit vereisen, maar die gericht zijn op een helder doel. Dat daarvoor op sommige punten een prijs wordt betaald, is het gevolg van heldere politieke keuzes.

Wie de discussies in de Bondsrepubliek volgt met betrekking tot de stand van zaken rond de Duitse defensie-inspanning, komt tot de conclusie dat de regering in Berlijn een aantal buitengewoon drastische maatregelen voorbereidt om de kwaliteit van de Duitse inspanning aanzienlijk te verbeteren. In haar eigen ogen loopt die inspanning dramatisch achter bij de inspanning van vergelijkbare Europese landen als Frankrijk en Engeland. Er zal tegelijkertijd op de defensie-uitgaven drastisch worden bezuinigd. In het jaar 2000 op een budget van plus minus DM 48 miljard: DM 3,5 miljard en een doelstelling van plus minus DM 6 miljard in de drie navolgende jaren welke overigens nog niet zijn geaccordeerd. Wie de toespraak van de Duitse minister van Defensie Scharping van 8 september jl. in Hamburg analyseert, kan maar tot een conclusie komen: de Duitse strijdkrachten behoeven dramatische ingrepen om tot meer kwaliteit te komen en dat na de enorme ingrepen die in de afgelopen jaren zijn gedaan. De Duitse regering bereidt zich voor op belangrijke beslissingen. Zowel uit de toespraak van minister Scharping als ook uit een interview op 2 september in Die Zeit met de Duitse defensiestaf, generaal Von Kirnbach, blijkt zonneklaar dat op grond van het veranderde dreigingsbeeld, men een verschuiving wenselijk acht van de concepten van de traditionele defensie, zoals bijvoorbeeld in de bestaande legerkorpsen, naar veel grotere flexibiliteit en inzetbaarheid in multinationaal verband dan nu het geval is. Met andere woorden: de Duitse regering staat voor een aantal vraagstukken (bijvoorbeeld de noodzaak van de dienstplicht) die in een aantal andere Europese landen al geheel of gedeeltelijk zijn beantwoord.

Die vrees die ik hoor in Nederland met betrekking tot het thema van het Duits-Nederlandse legerkorps, deel ik in het geheel niet omdat het debat over het verdedigingsconcept, het verschuiven in accent van de klassieke verdediging naar grotere en flexibeler inzet in het kader van crisis- en vredesoperaties, ten volle op gang komt en ook in de Bondsrepubliek tot onvermijdelijke keuzes zal leiden. Ik kan met de beste wil niet inzien waarom het aangaan van dit debat, in Nederland middels het PvdA-plan voor de krijgsmacht tot zulke krampachtige reacties heeft geleid. Integendeel, het lijkt mij dat daar op dit moment ook in de Bondsrepubliek alle ruimte voor is, uiteraard onder voorwaarde dat de handhaving van de bondgenootschappelijke loyaliteit een wezenlijk uitgangspunt is.

Drs. Harry J. van den Bergh is voorzitter van de Defensieadviescommissie van de PvdA.