Op barricades van bordkarton

Adriaan van Dis heeft twee literaire helden. Het zijn Jacob Willem Katadreuffe uit Bordewijks Karakter en Frederic Moreau uit Flauberts De leerschool der liefde. In zijn Albert-Verweylezing, in 1996 uitgesproken twee jaar na de publicatie van de bestseller Indische Duinen, legde hij uit waarom. `Karakter toont ons de moeizame weg tot succes, aanzien en macht. De leerschool der liefde laat zien hoe succes, aanzien en macht een mens uiteindelijk corrumperen.'

Uit Van Dis' roman Dubbelliefde, in zekere zin een vervolg op Indische Duinen, blijkt dat deze uitspraak niets minder dan een program inhield. Zijn nieuwe roman zou een moderne Frederic tonen, heen en weer geslingerd tussen loyaliteit, geld, zinnelijkheid en de extase van het kunstenaarschap. En ook een eigentijdse Katadreuffe, een bastaardzoon die zijn gehate en bewonderde vader beschouwt als iemand die hem aanzet tot revanche.

Wat Katadreuffe nastreefde via zijn rechtenstudie – succes, aanzien – wilde Van Dis en wil de hoofdpersoon van Dubbelliefde ook. Ooit zou de wereld van hem houden, hij zou schitteren, bewonderd worden. `De tegenwerking van mijn vader', zei hij in zijn lezing, zou me daar juist bij helpen. Al was hij dan dood, hij zat nog steeds in mijn kop, liep mee in mijn rechterooghoek en keurde alles wat ik deed af. Bordewijk legde mij uit waarom, want mijn vader dacht er net zo over als Katadreuffes vader: `ik zal hem [mijn zoon] wurgen, ik wurg hem voor negen tienden en dat ene tiende dat ik hem laat, dat kleine beetje asem zal hem groot maken, hij zal groot worden, hij zal, bij God, groot worden!'

Die passage in Karakter was Van Dis' voorbeeld: `ik zou groot worden', hield hij zijn Leidse gehoor voor. In Dubbelliefde wordt hier uitdrukkelijk naar verwezen: `Waarom maak je je zo groot?', vraagt een vriend. Antwoord: `Omdat ik groot wil zijn.'

In de roman wordt een gekrenkte puber groot, een jongen die zich inbeeldt dat hij met het kleine beetje asem dat hem gegund was, zijn vader de laatste adem heeft ontnomen. Op elfjarige leeftijd heeft hij, verkleed als meisje, de man op diens sterfbed zo geschokt dat hij subiet stierf. Het travestietje denkt vadermoord te hebben gepleegd, maar is daarmee allerminst van de vader af. Bijna niet te tellen, zo vaak krijgt de lezer te verstaan dat de vader `meeloopt in de rechterooghoek' van de hoofdpersoon. Wat de naamloze ik-figuur ook uitprobeert aan shockerend gedrag, het lukt niet de tiran zich nog eens kapot te laten schrikken. Om hem af te schudden, is meer nodig dan bommen gooien naar een Grieks reisbureau, hoerenlopen, de hoer – of welke andere rol dan ook – spelen. De enige manier om zijn vader definitief te verslaan, is iets presteren, groot worden.

Wie Van Dis' vorige romans kent, van Nathan Sid tot Indische Duinen, of wel eens een interview met hem heeft gelezen, kan weten dat Dubbelliefde een autobiografische roman is. In zijn Verwey-lezing staat het ook nog eens zonder omhaal: `Vader dood, zusters het huis uit, Indië de hutkoffer in, moeder voedt op. We woonden in Hilversum, een dorp dat ik haat, een standsdorp, trappen naar beneden en likken naar boven. Na de mulo en een jaar kweekschool, deed ik eindexamen hbs-a. Ik zou naar Amsterdam gaan om te studeren. Nederlands. Wraak nemen op alle eenendictees. Zelf schrijver worden.'

Kakkers

Dit is in kort bestek ook het verhaal dat in Dubbelliefde wordt verteld, zij het dat Hilversum `Halfstad' heet, een dorp waar radio- en tv-studio's zijn gevestigd, en dat de mulo is vervangen door een lyceum vol kakkers met hockeysticks en collegedassen. Halfstad was een dorp waar je pas meetelde als je in een villa woonde, huizen waar een jongen als Van Dis niet welkom was. `Als lagere-schooljongen ben ik een keer het grindpad afgestuurd toen de vader van mijn nieuwe vriendje ontdekte dat ik bruine zusjes had en ook nog eens een onwettig kind was', vertelde hij in Leiden. In Dubbelliefde gebeurt de hoofdpersoon op iets latere leeftijd hetzelfde, dit keer omdat hij de verkeerde sokken droeg. Deze vernedering die gewroken moet worden, is een hoofdthema in de roman.

Dubbelliefde is niet honderd procent autobiografisch, het is geen als roman verpakt dagboek. Om de lezer in dit opzicht gerust te stellen (`Het gaat niet over Van Dis, hoor') heeft het boek een motto meegekregen uit Couperus' Metamorfoze. `En al zou ik nu eens schrijven een boek, waarvan de held een modern auteur was; al zou ik dien held laten schrijven werken, die verwant aan de mijne waren, de held zou ik niet zijn, zijn kunst niet de mijne: en de roman zou een roman blijven, niet dan een roman, en zich nooit realizeeren tot autobiografie.' Duidelijker kan het bijna niet, al doet Van Dis, even angstig als keurig, er nog een schep bovenop als hij zijn held aan het slot laat zeggen dat hij schrijver wil worden om rollen te kunnen spelen op papier: `Daar mag ik mijn vader verleiden en vermoorden zoveel als ik wil. In mijn fantasie kan ik de schunnigste verlangens uitleven. En dat doe ik ook...'

De rollen die hij de hoofdpersoon in Dubbelliefde laat spelen variëren van lustverslaafde heteroseksuele hoerenloper, homoseksuele hoer, overspelige verloofde, tot poëzielezende dromer, armoedzaaier, ladenlichter en studentenactivist. Vermoedelijk is hij van alles, maar een piepklein beetje of zelfs helemaal niets, want geen enkele rol komt bij gebrek aan inlevingsvermogen goed uit de verf. Zijn grootste heldenrol bestaat eruit dat hij af en toe een ordinair, pooierachtig gouden kettinkje onder zijn kleren draagt. Die ketting moet hem in staat stellen buiten zichzelf te treden, zoals de dure, extravagante kleren die hij van zijn vader erfde dat effect bij tijd en wijle ook oproepen.

Dubbelliefde behelst de zoektocht van een adolescent naar zijn ware ik, zijn identiteit. Het dubbele uit de titel slaat op van alles: op het dubbelspel van auteur en hoofdpersoon, het getob van de romanfiguur over zijn seksuele geaardheid, diens ambivalente gevoelens jegens zijn dode vader, of zijn eigenliefde waar een component van zelfhaat aan kleeft dat hij, in schijn schaamteloos, etaleert. In schijn. Ruim twintig jaar na Anja Meulenbelts debuutroman De schaamte voorbij (over haar jeugd, haar hetero en lesbische liefdesleven en haar emancipatie als vrouw en schrijfster) doet van Dis het voorkomen alsof ook hij zijn schaamte heeft overwonnen. Zijn roman onderscheidt zich in dit opzicht nauwelijks van de feministische `bekentenisliteratuur' uit de jaren zeventig.

Het enige verschil met de zo verguisde `damesromans' uit die jaren, is dat zijn bekentenissen uiteindelijk tot een pose worden gereduceerd. De seksuele uitspattingen van de hoofdpersoon willen maar niet geil, goor of genant worden omdat ze maar niet autheniek willen lijken. Het is niet interessant of de beschreven gebeurtenissen uit de fantasie komen of uit de beleving van de auteur, maar wel of ze in de roman de indruk wekken echt en doorleefd te zijn. De bomaanslag die de hoofdpersoon pleegt op het Griekse verkeersbureau is niet immoreel, schokkend of heldhaftig, omdat hij niet geproblematiseerd wordt, dat wil zeggen: niet in het hoofd van de schrijver, die zich bij gebrek aan inlevingsvermogen verliest in afgetrapte clichés.

Fantasie

Over het algemeen staan als roman verpakte autobiografieën (zoals het genoemde De schaamte voorbij en I.M. van Connie Palmen) mij tegen omdat er geen literaire fantasie, structuur of stijl aan te pas komt. Dat kan van Dubbelliefde niet worden gezegd. Naar vorm, inhoud en stijl is het wel degelijk een `echte' roman, waarin werkelijkheid en fictie met elkaar verweven zijn tot een nieuwe, literaire realiteit. Alleen, zijn fictie overtuigt niet: Van Dis' herschapen jaren zestig en zeventig hebben het aanzien van een humorloze karikatuur.

Wat mij betreft is dit een grote zwakte, want het is wel degelijk Van Dis' bedoeling geweest om – naar analogie van feministische auteurs als Anja Meulenbelt en de Amerikaanse Erica Jong (Fear of flying, 1974) – een `generatieroman' te schrijven, waarin een individuele problematiek wordt veralgemeend tot die van een tijdperk. `Mijn generatie', `onze generatie': de hoofdpersoon van Dubbelliefde heeft er de mond van vol, doelend op de naoorlogse geboortegolf, een generatie waartoe zowel de schrijver als zijn romanheld behoren. In zijn Verwey-lezing noemde Van Dis de feministische bekentenisliteratuur niet als voorbeeld, hij verwees naar Flauberts Leerschool der liefde die `laat zien hoe succes, aanzien en macht niet alleen één mens, maar een hele generatie kan corrumperen'.

Zijn eigen generatie, die hij net als Flaubert wil aanklagen, heeft volgens Van Dis `altijd duidelijk laten merken dat ze er was. We hebben een stempel op onze tijd gezet: we hebben gedemonstreerd, inspraak bedongen, medezeggenschap.' Maar, zo voegde hij daar heel eerlijk aan toe: `Mei '68 ging langs mij heen, ik werd te zeer door mijn verliefdheid in beslag genomen.'

De tijdgeest glipte hem dus door de vingers. Dat had een mooi romanthema geweest kunnen zijn. Dubbelliefde daarentegen wordt gekenmerkt door een gekunstelde betrokkenheid bij de verschillende subculturen uit de `sixties', waartussen de worstelende held maar niet kan kiezen. Deze `bekentenisroman' legt een valse bekentenis af. De ik-figuur speelt rollen – in de kleren van de keizer die zijn vader is – maar hij speelt die rollen tegen de achtergrond van een `geleende werkelijkheid', een bordkartonnen decor.

Overtuigender, ook stilistisch, zijn de episodes aan het begin en het einde van de roman, waar Van Dis vermoedelijk dichter bij zijn eigen werkelijkheid is gebleven, de passages waarin hij gesprekken voert met zijn vriend Werner en zijn vriendin Maud (mooi geschilderde, authentieke karakters en tegelijkertijd afsplitsingen van de ik-figuur) over wat hem werkelijk beroert: het streven los te komen van zijn vader en zijn jeugd, groot en beroemd te worden, applaus te krijgen, erkenning te vinden, schrijver te worden.

Liefst een groot schrijver natuurlijk, een Flaubert, een Couperus of een Bordewijk: iemand die `het verlangen tot kunst kan verheffen'. In Dubbelliefde worstelt Van Dis met zijn schrijverschap. De roeping is er. Waar is de bagage? Laten we het er op houden dat deze `damesroman' een mannelijke inhaalslag is, `een fase' – om in termen van de jaren zeventig te blijven – waar Van Dis als schrijver, tja, `doorheen moet'.

Adriaan van Dis: Dubbelliefde. Geschiedenis van een jongeman. Meulenhoff, 366 blz. ƒ45,-