Ontsnapt aan hamer en aambeeld

A. Alberts schreef zijn eerste twee verhalen naar eigen zeggen uit verveling, omdat hij niets anders te doen wist. Zijn debuut, Eilanden (1947), zou nooit tot stand gekomen zijn als zijn uitgever, Geert van Oorschot, niet had aangedrongen op meer verhalen. Dit is geen gebruikelijke gang van zaken. Meestal worden debuten kant en klaar aangeboden en vervolgens niet zelden geweigerd. In Mijn eerste boek, van uitgever Kees de Bakker, kan men een indruk krijgen van hoe dertig schrijvers ooit debuteerden. Die beschrijvingen zijn niet allemaal even interessant, of in elk geval: niet meer. Aan alles is te merken dat deze `enigszins herziene' uitgave een herdruk is van een boek uit 1983 dat nu, bijna twintig jaar later, wel wat gedateerd aandoet. Van de dertig schrijvers zijn er in de tussentijd zeven overleden en de jongste nog levende auteur, Maarten `t Hart, is inmiddels 56 jaar oud.

Naast aanhankelijkheidsbetuigingen over en weer, treft men de nodige strubbelingen aan tussen auteur en uitgever, over al dan niet vermeende contractbreuk, de mate waarin de auteur zich gesteund weet door zijn uitgever, of over de hoogte van het voorschot. Vooral wat dat laatste betreft zijn er grote verschillen. Harry Mulisch kreeg in 1952 ƒ 60,- als voorschot op zijn novelle, Tussen hamer en aambeeld. Neeltje Maria Min bekent dat ze Voor wie ik liefheb wil ik heten (1966), liever in portefeuille had gehouden, maar dat ze zwichtte voor de f 500,-die haar in het vooruitzicht was gesteld. Theun de Vries kreeg al in 1931 ƒ 1.000,- als voorschot op zijn roman Rembrandt.

In zijn `Verantwoording' houdt De Bakker een warm pleidooi voor de invoering van de `editor', die de schrijver niet alleen zou moeten behoeden voor gebreken in zijn `schrijfstijl', maar die hem van begin tot eind zou moeten begeleiden. Zo'n editor had De Bakker zelf ook goede diensten kunnen bewijzen. Mijn eerste boek maakt, ook in deze enigszins herziene vorm, een onevenwichtige en slordige indruk. Over Mulisch, wiens eerste novelle pas serieus werd genomen door uitgevers nadat het manuscript van zijn roman Archibald Strohalm was bekroond, schrijft hij rondzingende zinnen als deze: `Voordat de auteur zijn welverdiende prijs won (-) ondernamen ze niets en sloegen pas toe, toen Harry Mulisch de Reina Prinsen Geerligsprijs ontving.'

Het is nog maar de vraag hoe verontwaardigd men zou moeten zijn over het feit dat Tussen hamer en aambeeld ruim vijf jaar op de plank bleef liggen. Mulisch zelf was er jarenlang slecht over te spreken en repte onder meer van `een lor'. Enkele decennia later nam hij het weer in genade aan: toen werd het opgenomen in zijn Verzamelde verhalen. En nu, 52 jaar later, beleeft het zijn tweede zelfstandige druk. Arnold Heumakers maakt in zijn nawoord duidelijk dat de novelle vooral in het licht van het latere oeuvre van belang is. Hij legt in zijn analyse gewiekste verbindingen met De aanslag, De ontdekking van de hemel en met Mu lisch' laatste roman, De procedure. Toch kan de novelle ook wel op eigen benen staan. In weinig bladzijden weet Mulisch een fraai afgerond en tamelijk sinister verhaal te vertellen, dat op waarheid, althans op een echt krantenbericht schijnt te berusten. Een verhaal over de Koude Oorlog, avant la lettre. Hoofdpersoon is een Russische soldaat, Nicolai Waranef, die opdracht heeft gekregen een weg te bewaken tussen Wenen en Bratislava waar zich een munitiedepot bevindt. Hij heeft strikte orders iedereen neer te schieten die zich op deze weg waagt. Als op zeker moment in het pikkedonker een auto komt aangereden, lost Waranef gauw twee waarschuwingsschoten, omdat hij geen mensen wil doden. Maar omdat het een Engelse auto blijkt te zijn, en de bestuurder rechts zit in plaats van links, is een van de schoten per ongeluk toch dodelijk. Vervolgens ontspint zich een soort absurdistisch toneelstuk waarin Waranef de rol van zondebok krijgt toebedeeld. De `westerse pers' eist opheldering over de moord op de hooggeplaatste Engelsman en het Russische leger, in verlegenheid gebracht door de aanhoudende roep om vergelding, besluit de schutter te offeren, om zo de gemoederen te sussen. Waranef wordt dus om politieke redenen onschuldig ter dood gebracht. De tegenstelling tussen oost (hamer) en west (aambeeld) is gelukkig niet al te zwaar aangezet en er zitten aardige nunaces in het verhaal.

Een mythische of magische dimensie ontbreekt aan het verhaal, maar de 19-jarige Mulisch geeft wel al blijk van de grote greep die zijn hele schrijverschap kenmerkt. Zijn hoofdpersoon is niet zomaar iemand, maar een exempel. Aan zijn tragische geschiedenis wordt gedemonstreerd dat begrippen als schuld en onschuld, vrijheid en gevangenschap en zelfs leven en dood rekbare rekbaar zijn en aan interpretatie onderhevig.

Het nadeel van die grote greep is dat er gauw iets robotachtigs in het verhaal sluipt. Waranef is al helemaal een Mulisch-personage: een man zonder duidelijke eigenschappen die zich voorbeeldig weet te schikken in zijn lot. Uiteindelijk is hij, zo jong als hij is, blij toe dat de last van de wereld van hem wordt afgenomen. Dat zou wel eens de dubbelzinnige boodschap van de novelle kunnen zijn: deze ene mens wordt weliswaar geplet tussen hamer en aambeeld, maar hij is tegelijkertijd, met behulp van zijn schepper, Harry Mulisch, al royaal aan het aardse ontstegen.

Kees de Bakker:Mijn eerste boek. Dertig schrijversdebuten.

Conserve. 252 blz. ƒ39,95

Harry Mulisch:Tussen hamer en aambeeld. Conserve,

128 blz. ƒ39,95