Neen tegen geweld

DE OVERGROTE MEERDERHEID der Algerijnen heeft gisteren een keuze gemaakt die iedereen kan begrijpen: vóór orde en rust en tégen het moorden. President Bouteflika had de bevolking opgeroepen zich per referendum uit te spreken over zijn voornemen de vrede en de eendracht in het land te herstellen. Moslimfundamentalisten hebben de afgelopen zeven jaar de Algerijnen aan een niet aflatende bloedige terreur onderworpen. De naar schatting honderdduizend doden die hun permanente wraakoefening heeft gekost, zijn de zwaarste belasting van de verzoening die het in april gekozen staatshoofd tot stand wil brengen. Zelfs het feit dat de strijdkrachten destijds de fundamentalisten hadden verhinderd hun verkiezingsoverwinning te verzilveren, biedt onvoldoende verklaring voor de bloeddorst en de wreedheid waarmee de verschillende strijdgroepen de bevolking jarenlang hebben geterroriseerd.

Bouteflika handelt naar beproefd gaullistisch gebruik. Leg het volk een simpele retorische vraag voor en gebruik de uitspraak vervolgens als legitimatie van het te voeren beleid. Althans in tijden van nationale nood blijkt die aanpak te werken. Generaal de Gaulle heeft er zijn presidentiële Vijfde Republiek mee van de grond gekregen nadat de omstreden en gewelddadige dekolonisatie van Algerije de Franse staat zelf op de rand van de afgrond had gebracht. Bouteflika maakt vanavond zijn regering bekend alsmede de koers die hij denkt te volgen. Met de uitslag van het referendum als steun in de rug heeft hij een reële kans om het land een nieuw begin te laten maken.

HET DILEMMA WAARVOOR Algerije staat, herinnert aan de keuze die andere langdurig en bloedig verdeelde samenlevingen hebben moeten maken: Chili, Cambodja, Zuid-Afrika, Rwanda, Sierra Leone, de volken op de Balkan. Vervolging en bestraffing van onderdrukkers en geweldplegers liggen voor de hand, al was het maar om de nabestaanden van de slachtoffers recht te doen. Maar wanneer het om grote groepen gaat die tegenover elkaar hebben gestaan, dreigt het recht zelf een obstakel te worden voor vrede en eendracht. Iedere samenleving zal daarvoor haar eigen oplossing moeten zoeken, ook al biedt de internationale gemeenschap zich in steeds meer gevallen als ordenende kracht aan.

Opvallend aan het Algerijnse lijden is nu juist geweest dat de wereld al die jaren op afstand is blijven toekijken. Natuurlijk waren er voorzichtige diplomatieke pogingen partijen tot elkaar te brengen. Maar van openbare terechtwijzingen, laat staan van sancties en nog verdergaande bemoeienis is geen sprake geweest, alhoewel tal van verdachtmakingen de ronde hebben gedaan, ook en juist ten aanzien van het militaire bewind, dat zelf een hand in het geweld zou hebben gehad. Voorzover er druk is uitgeoefend, had dat in de coulissen plaats.

HET GEWELD IN Algerije was nu eens niet het gevolg van religieuze of etnische tegenstellingen. In een sterk vereenvoudigde analyse zou gesproken kunnen worden van de stad tegen het platteland, van een Europees georiënteerde elite die zich bedreigd voelde en bescherming zocht achter de brede rug van de strijdkrachten. Maar het ging ook om de voortschrijdende verjonging van de samenleving en de toenemende uitzichtloosheid voor de jeugd in een land dat na de succesvolle bevrijdingsoorlog tegen de Franse kolonisator in een chronische politieke, economische en culturele impasse was terechtgekomen. Het fundamentalisme leek even de weg omhoog te wijzen. Het won een meerderheid. Maar zijn moordlust, aanvankelijk voortkomend uit frustratie, heeft deze stroming, althans in Algerije, iedere legitimiteit ontnomen. Zoals gisteren overduidelijk is bevestigd.