Met Winnie kreeg je makkelijk spul

De relatie van procureur-generaal R.A. (Rolph) Gonsalves met de media is altijd ongemakkelijk geweest. Dat zegt mogelijk iets over de media. Het is blijkbaar moeilijk om neutraal te rapporteren over een klassieke regent als Gonsalves, die zich op antieke wijze van commentaar onthoudt zodra hij zelf het middelpunt van een affaire is.

In de recente geschiedenis gebeurde het twee keer. Tijdens de IRT-affaire kreeg Gonsalves (als procureur-generaal portefeuillehouder zware misdaad) de wind van voren omdat hij vanuit het openbaar ministerie niet genoeg leiding aan de misdaadbestrijding zou hebben gegeven. De enquêtecommissie-Van Traa stelde hem daarom begin 1996 medeverantwoordelijk voor de affaire.

In reactie op die bevinding hield Gonsalves de kaken statig op elkaar – maar de pers wist wel raad met hem. Kranten schreven verlekkerd dat hij op `het dodenlijstje' van Sorgdrager stond, noteert de magistraat in zijn Memoires. Er kwam niets van uit. Gonsalves zou pas op het afgesproken moment, in 1997, zijn functie neerleggen.

Eenzelfde ongunstige behandeling viel de PG ten deel toen in 1994 nieuwe aandacht ontstond voor zijn ambtelijke periode in Nieuw-Guinea. Hij zou zich tijdens de pacificatie van de Baliem-vallei ernstig misdragen hebben: doodslag, mishandeling, brandstichting. Opnieuw weigerde Gonsalves zich tot een publieke reactie te verwaardigen. De media sprongen intussen andermaal gretig op het verhaal. Gonsalves werd Gunsalvo. Zijn bewind in Nieuw Guinea een `schrikbewind'. En diverse kranten wisten dat Gonsalves nu zeker de laan uit werd gestuurd. Alweer liep het anders. Het bleek om oude beschuldigingen te gaan. Ze waren begin jaren zestig al onderzocht, waarna van vervolging was afgezien. Toenmalig minister van Justitie Kosto kon er na onderzoek maar één ding van zeggen: er was niks nieuws onder de zon.

Deze twee incidenten hebben Gonsalves gemotiveerd zijn memoires te publiceren. Met het boek wil hij in de eerste plaats zijn critici antwoorden. Een dunne en gevaarlijke motivatie, al hoeft het niet te leiden tot een oninteressant werk. De loopbaan van Gonsalves biedt bouwstenen genoeg. Hij was PG vanaf medio jaren tachtig, landelijk terreur-officier in de jaren zeventig, en ambtenaar in Nieuw Guinea in de nadagen van het Hollandse bewind.

De beschrijving van die laatste episode heeft wel iets. Het verhaal van Nederlands laatste oorlogje is vele malen vaker verteld, maar de ambiance was exotisch en absurd genoeg om er ook voor dit boek honderd acceptabele bladzijden uit te halen. Gonsalves zelf is in die periode nog niet bedorven door de wereld van ambtelijke loyaliteit en jurdische vormelijkheid, en dat is in de tekst te merken. Want inderdaad, hij wás aanhanger van de oer-conservatieve katholieke politicus Welter. En natuurlijk, als het gevaarlijk werd schoot hij op de lokale bevolking. En welzeker, als ze ongehoorzaam waren deelde hij zonodig stokslagen uit.

Het wordt zo beschreven dat je de man kan volgen: een paternalist die gelooft in repressie slaat er soms op, een kolonisator die wordt bedreigd door lui die hij als wildemannen beschouwt, grijpt soms naar zijn wapen. Of hij daarmee `fout' was, een debat dat sommige Nederlanders zo graag voeren, kan er moeilijk mee worden gezegd. Net zomin als het omgekeerde. Gonsalves lijkt in dit boek evenwichtig en fair te willen vertellen hoe rauw de werkelijkheid daar was, en dat is al heel wat. Het is bovendien functioneel, want al lezend krijg je begrip voor zijn grieven over de media. Onmiskenbaar werden in 1994 geen nieuwe feiten bekend, niettemin stonden de kranten er dagenlang vol mee.

Gonsalves' beschrijvingen van zijn loopbaan bij het openbaar ministerie, keurig in chronologie opgetekend, kunnen vanaf het begin de concurrentie met `Nieuw Guinea' niet aan. Dat ligt in de eerste plaats aan het Openbaar Ministerie. In die wereld is de functie van een individu van oudsher belangrijker dan diens functioneren. Strepen tellen eerst, pas daarna prestaties. Gonsalves is in die wereld opgevoed en maakte er carrière – en dat is te merken.

Zo weet hij de vertellingen van zijn periode als terreur-officier (met de Molukse treinkapingen, de arrestaties van RAF-terroristen Folkerts en Wackernagel) te beperken tot een komen en gaan van loze overlegjes en onmin over competenties. Niets wordt de lezer wijzer over de interne gang van zaken in crisisvergaderingen, over de stress-bestendigheid van bestuurders, of het opereren van de BVD in zulke situaties.

En als Gonsalves daarna eenmaal PG is, met nota bene de georganiseerde criminaliteit in portefeuille, blijft zijn leven bestaan uit ambtelijke nota's en vergaderingen van commissies met non-descripte afkortingen. Een witwasser met een naam en een motief komt in het boek nooit langs. De DEA hangt nooit aan de lijn. De gebreken van een van corruptie verdachte burgemeester worden nooit ook maar enigszins uit de doeken gedaan.

Gaandeweg vertoont het denkraam van Gonsalves voorspelbare trekjes. Veel staat vast voor hem. Tot nieuwsgierigheid blijkt hij zelden te verleiden. Hij wéét alles al. Sterker, hij heeft het altijd al geweten. Zo is het met zijn inzichten (de georganiseerde misdaad is een ernstige bedreiging voor de rechtsstaat), zo is het met de mensen die hem omringen. Die zijn er in twee soorten. Ze deugen of ze deugen niet. En, lezer, maakt u zich niet ongerust: als ze niet deugen, heeft Gonsalves dat vanaf de eerste seconde in de gaten.

Zo legt hij Winnie Sorgdrager al na nog geen anderhalve alinea af. Het gebeurt in 1979, Gonsalves is net benoemd tot hoofdofficier van justitie in Almelo en Sorgdrager, geworven door zijn voorganger, komt als jongste bediende op het parket werken. Hij arrangeert een kennismaking met de lokale rechtbankpresident, die hij als `scherpzinnig en geestig' typeert, en laat de magistraat een oordeel vellen over de jonge Winnie. `Een bekwaam meisje', oordeelt de president, `maar je krijgt spul met haar'. Waarom, wil Gonsalves weten. `Ze kijkt stout uit de oogjes.' Daarna speelt Sorgdrager nog circa 150 bladzijden een hoofdrol in het boek, maar wat ze ook doet, hoe ze het ook aanpakt, zelfs als ze hem voorbij streeft en minister van Justitie wordt: voor Gonsalves wordt ze nooit meer dan een bekwaam meisje met stoute oogjes waar je makkelijk `spul' mee krijgt.

Zo kan men de slotsom van het boek reeds van verre zien aankomen. Ook de IRT-affaire was eigenlijk slechts de bevestiging van zijn vroeg gerijpte inzichten. De zware misdaad was jarenlang onderschat, en het OM toonde zich doof voor zijn pleidooien de aanpak te normeren en centraliseren. Nu dat niet gebeurde, kon het niet anders dan uit de hand lopen. Al wist de PG `zware criminaliteit' werkelijk niet hoe. Want dat drugs werden doorgelaten, diepte-infiltraties met criminelen uitgevoerd, honderdduizenden guldens misdaadgeld door politiehanden gingen: Gonsalves was er niet van op de hoogte.

En waarom niet? Zijn collega-PG's informeerden hem niet, misgunden hem de bevoegdheid mee te kijken en mee te beslissen, en vooral: de leiding van het OM stond boven een stuurloze organisatie. Hij wilde wel sturen, maar hij mocht niet, hij kon niet. Die hele PG-portefeuille zware misdaad stelde dus eigenlijk niks voor. Het is, twee jaar na zijn vertrek, mogelijk een wat late bekentenis.

R.A. Gonsalves en G.J. Verhoog: Mr. Gonsalves, Memoires.

De Arbeiderspers, 351 blz. ƒ49,90

    • Tom-Jan Meeus