Laten we het vandaag maar bij thee houden

AMSTERDAM. Dit is alweer enige tijd geleden gebeurd, maar ik durfde er steeds niet over te spreken, laat staan schrijven.

Als ik eraan dacht overviel mij een immense schaamte. En hoewel er van een misdaad geen sprake was, voelde ik mij als een misdadiger die zijn wandaad probeert te vermommen om hem zo te kunnen vergeten.

Zelfs mensen in mijn directe omgeving die ik dagelijks spreek of schrijf, weten er niets van.

Van de zomer leverde ik mijn nieuwe roman in. In het Hilton hotel. Het was een feestelijke gebeurtenis.

We spraken af dat ik een paar dagen later op de uitgeverij langs zou komen. Tegen die tijd zouden de betrokkenen het manuscript wel gelezen hebben.

Op de bewuste dag nam ik een taxi naar de uitgeverij.

Ik begroette de receptioniste, beklom de trappen, en schudde ten slotte de handen van de betrokkenen: de directeur, de uitgever, de bureauredactrice.

We gingen zitten. Zij aan een kant van de tafel, ik aan de andere.

Beleefdheden werden uitgewisseld, vakantieplannen besproken, en de directeur zei: ,,Laten we de wijn straks maar opentrekken, wil je thee of koffie?''

,,Thee'', zei ik.

Er werd uitvoerig naar suikerklontjes gezocht. Op het bureau zag ik mijn manuscript liggen, netjes gekopieerd.

Voor zover tevredenheid bestaat, voelde ik mij een kort moment tevreden. Wat maakte het uit dat je privé-leven verbrokkelde en langzaam losliet als behang dat van de muur komt in vochtige woningen, zolang je maar mooie boeken schreef? Ik deed twee suikerklontjes in mijn thee.

,,Zullen we het over je boek hebben?'' vroeg de directeur.

Daarvoor was ik tenslotte gekomen. Thee en wijn waren meegenomen, maar uiteindelijk toch bijzaak.

Er viel een stilte. Als ik naar links keek kon ik het water van de gracht zien.

,,Je dialogen zijn erg goed'', verbrak de uitgever ten slotte de stilte. En de directeur vulde aan: ,,Over de dialogen hebben we nooit te klagen gehad.'' De bureauredactrice speelde met haar potlood en zei: ,,Je dialogen zijn meesterlijk.''

Ik roerde in mijn thee en probeerde te bedenken hoeveel dialogen er precies in mijn boek zaten. Het was curieus, maar ik kon me opeens alleen die gedeeltes voor de geest halen waarin geen enkele dialoog voorkwam.

Weer was het stil, in de verte meende ik het geruis van een stofzuiger te horen, maar misschien was dat verbeelding. Het was nog te vroeg voor de schoonmakers. Plotseling boog de directeur zich voorover. ,,Wat is er precies in je gevaren dat je besloten hebt een roman te schrijven over een kookboekenschrijver?''

Hij sprak het woord `kookboekenschrijver' uit als een soort ziekte die alleen nog voorkwam in achtergebleven gebieden in Afrika.

,,Een kookboekenschrijver'', herhaalde ik om tijd te winnen en nam een grote slok thee.

,,Het is zijn noodlot'', zei ik haastig, ,,hij had hele andere plannen, maar het leven kwam tussenbeide.''

,,Het leven kwam tussenbeide'', zei de directeur en schreef iets op in zijn agenda.

Weer viel er een lange stilte.

,,Is er misschien nog thee?'' informeerde ik.

,,Laat ik het eens anders formuleren'', zei de uitgever, ,,heb je er wel eens over nagedacht wie er eigenlijk geïnteresseerd in zijn te lezen over de belevenissen van een kookboekschrijver?''

,,Een ongelukkige kookboekenschrijver'', zei ik. ,,Hij wil van de kookboeken af.''

,,Ja, dat hebben we gemerkt'', zei de directeur.

Nog altijd hoorde ik die stofzuigers. Misschien had ik een ziekte aan mijn oren.

,,Nou dan zal ik maar even zeggen wat ik heb'', zei de bureauredactrice, en keek op van haar aantekeningen, ,,ik zou meer cement tussen de scènes willen zien.''

,,Cement'', zei ik.

,,Veel meer cement'', zei de uitgever.

En de directeur mompelde: ,,Ik heb het als een sleutelroman gelezen, je ziet personen uit je dagelijks leven duidelijk terug als personages.''

,,Nee nee, het is helemaal geen sleutelroman'', onderbrak ik hem, ,,als ik eerlijk ben is het meeste verzonnen, en wat bedoelen jullie precies met cement?''

Mijn hele leven leek te zijn teruggebracht tot één cruciale vraag: wat is cement, en dan vooral, wat is cement tussen de scènes?

,,Luister'', zei de bureauredactrice, ,,schrijven moet jij doen, wij lichten je alleen in over onze bevindingen.''

,,Maar ik begrijp niet wat cement is, ik heb nog nooit met cement gewerkt.''

Mijn stem klonk schel en smekend.

,,Misschien'', zei de directeur, ,,moet je jezelf een beetje rust gunnen.''

,,Ik heb geen rust nodig, bovendien kan ik me geen rust permitteren.''

De directeur schroefde de dop op zijn vulpen en zei: ,,Ik zeg niet dat het onze mening is, maar er zijn mensen, en niet zomaar mensen, die jou voor een eendagsvlieg houden.''

Ik deed mijn best te lachen.

Misschien was dit de ontmaskering waarop ik al die jaren had gewacht. Niet dat mijn lucht luchtiger was dan die van anderen, of minder gebakken, maar dat was geen excuus. Martin R. Frankel had voor miljoenen dollars verzekeringsmaatschappijen opgelicht. Uiteindelijk hield hij zich schuil in een duur Hamburgs hotel. In Italië had hij zich ook schuilgehouden, maar hij at bij voorkeur Chinees. Een van de politieagenten die hem arresteerden zei: ,,Het leek wel alsof hij ons verwachtte.''

Dat zijn feiten, die onlangs in de krant hebben gestaan. Maar soms zijn feiten poëzie.

,,Je hebt allerlei soorten vliegen, eendagsvliegen moeten er ook zijn. Nietwaar?''

Ik keek rond alsof ik steun zocht voor deze stelling.

,,En dan heb ik het nog niet eens gehad over de cijfers'', zei de directeur.

Een papier werd mijn richting uit geschoven.

,,Hier, 321 retouren voor je essaybundel.''

,,Wat zijn retouren?'' vroeg ik. Soms is het beter je onnozel voor te doen.

,,Retouren. Dat zijn boeken die boekhandels terugsturen, omdat ze die niet aan de straatstenen kwijt kunnen.''

,,Aan de straatstenen'', herhaalde ik en ik herinnerde me weer dat ik dringend cement nodig had.

Meteen daarna had ik een visioen. Ik was op een gala aanwezig en de presentator zei: ,,En de schrijver met de meeste retouren is ook dit jaar weer Arnon Grunberg.'' Luid applaus weerklonk.

,,Maar ik heb een prijs voor die essaybundel gehad.''

,,Dat was een kleine prijs'', zei de directeur, ,,voor mensen die de grote prijzen niet kunnen krijgen.''

Dat soort prijzen bestonden natuurlijk ook. ,,En na alles wat we dit jaar al hebben gehad kom jij nu aan met een roman over een kookboekschrijver.''

Het was de directeur die dit zei, maar zijn stem klonk ver weg.

Mijn carrière dwaalde nog als de geest van een overledene door mijn hoofd, maar gelukkig werd die geest nu uitgedreven.

,,Dus er moet meer cement tussen de scènes?'' informeerde ik voor de zekerheid nog maar een keer.

,,Je moet je van onze adviezen niets aantrekken'', zei de directeur, ,,maar misschien is het goed om je pen een tijdje terzijde te leggen.''

Ik schreef niet eens met een pen.

,,Het gaat nergens heen'', zei de bureauredactrice, ,,de dialogen zijn meesterlijk, maar het stevent nergens op af.'' Ik keek haar aan, en nu pas viel het me op. Zij was een directe afstammeling van de satan aan deze tafel. Ik had altijd een klein notitieboekje bij me waarin ik aantekeningen maakte om mijn leven op orde te krijgen. Ik haalde het uit mijn zak en schreef: `Afstammelingen van de satan opsporen en uit mijn leven verwijderen.'

,,Laten we het vandaag maar bij de thee houden'', zei de directeur.

Hoe ik het pand heb verlaten weet ik niet meer. Een witte vlek in mijn geheugen. Er zullen steeds meer witte vlekken bij komen. Dat is het beste, dat er van mijn leven niets anders overblijft dan een Rorschachtest.

Over de grachten liep ik terug naar mijn hotel.

Voor een antiekwinkel bleef ik staan. Ik hield mijn hoofd schuin alsof ik het antiek bekeek, maar ik bekeek mezelf.

Het verbaasde me dat het me niet eerder was opgevallen.

Mijn spiegelbeeld vertelde me alles: een eendagsvlieg op zoek naar cement.