Het tippelen der discipelen

Op 1 september stond in de rubriek `Prikbord', op de Achterpagina, de volgende tekst:

En Paulus sprak tot zijn discipelen,

wie geen fiets heeft gaat maar tippelen.

Dit leek op poëzie – en op humor, maar dan wel van de belegen en oubollige soort. Oubo-poëzie. Vermoedelijke datering, grof geschat: ver voor 1965. Bij wijze van genre-aanduiding stond erboven dat het hier om `vaderhumor' ging. Wat is vaderhumor (niet in Van Dale)? De oude, afgezaagde, al jaren achter elkaar herhaalde grapjes die vaders vroeger aan het hoofd van de tafel over hun gezin plachten uit te strooien? En waarin school hier eigenlijk de humor? In het foute rijm? Wie eenmaal `discipelen' had gezegd kon het vers alleen nog maar voltooien door er `tiepelen' op te laten rijmen. En school de grap dus in de mogelijke ondeugende bijbetekenissen van `tiepelen': een of ander jongensspel immers, maar ook `bewegingen met de handen maken' en `zich met beuzelarijen bezig houden, prutsen, knutselen'? Of was dat te ver gezocht, was met `tippelen' hier gewoon tippelen bedoeld, het wat luchtig klinkende synoniem voor `gaan, wandelen, lopen'? Of toch de meer pregnante betekenis `met korte, vlugge pasjes gaan'? Zat de humor verborgen in het informele gebruik van dat woord: als hoer zijn of haar diensten op straat aanbieden? Of in de bargoense betekenis: stelen?

Ik was in de vreemde situatie beland dat ik clous in overvloed had, maar niet wist bij welke ik nu geacht werd in de lach te schieten. Een luxe-probleem zou je denken, maar in de praktijk niet bevorderlijk voor de spontane lach. Wat moesten die discipelen die geen fiets hadden van Paulus nu gaan doen: jongensspelletjes spelen, zichzelf of elkaar met de hand bevredigen, zich als prostitué aanbieden, een fiets stelen of gewoon leuke balletpasjes maken?

Daarbij voegden zich nog enkele andere academische vragen, zoals: schuilt voor de ideale lezer de humor nu in dit woordspel of in het anachronisme (ten tijde van Paulus was de fiets nog niet uitgevonden), de registerwisseling tussen bijbels en bargoens of in de blasfemische verbinding van apostelen met fietsendieven en / of homohoeren? Het zal, behalve met mijn gevoel voor humor, allemaal ook wel iets met vroeger te maken hebben, met een tijd waarin spotten met de bijbel nog min of meer taboe was. Verboden humor wordt een stuk minder humoristisch als het verbod niet meer bestaat.

De Duitse dichter Robert Gernhardt, geboren in 1937, vertelt in de toelichtingen bij zijn verzamelbundel Gedichte (1996) hoe hij als jongen in de vroege jaren vijftig veel plezier beleefde aan het opzeggen van anonieme schertsverzen als de volgende:

Jesus sprach zu seinen Jüngern:

Wer keine Gabel hat, ißt mit den

Fingern.

Het is een pendant van het tippelgedicht: ook hier zit er een mooie klinkerkronkel in het rijm. Dit is er ook zo een, over Paulus, en met een vergelijkbare taalgrap:

Paulus schrieb an die Korinther:

Was nicht davor ist, ist dahinter.

Aan het eind van de jaren zeventig besloot Gernhardt zelf een paar verzen te gaan schrijven in dit, zoals hij het noemde, al volkomen verroeste genre – met de bedoeling het aldus voorgoed ten grave te dragen. Bij de lichte godslastering voegde zich enige discriminatie: Paulus schreef nu aan indianenstammen die nog niet alle lessen van de zendeling goed hadden begrepen. `Klatschen' is applaudisseren. `Die Taufe' is de doop. `Das Plantschen': poedelen.

Paulus schrieb an die Apatschen:

Ihr sollt nicht nach der Predigt

klatschen.

Paulus schrieb an die Komantschen:

Erst kommt die Taufe, dann das

Plantschen.

Paulus schrieb den Irokesen:

Euch schreib ich nichts, lernt erst mal lesen.

Humor? Smaken verschillen. Curieus genoeg meende de dichter zelf dat hij hiermee het genre van het tweeregelige religieuze spotmopje nu wel voorgoed om zeep had geholpen.

Totdat hij in 1994 een nummer van een tijdschrift voor leraren Duits onder ogen kreeg en daarin tot zijn verrassing las dat ene Andreas Weber, Studienrat, zijn klas had weten aan te zetten tot het schrijven van een hele nieuwe reeks. Dit was er een van:

Paulus schrieb an die Navajo:

Man ißt Oblate nicht mit Majo.

`Oblate' zijn hosties.

Gernhardt was verbaasd, en toch ook wel enigszins ontroerd - door het opnemen en voortdragen door de jeugd van de door hem reeds lang geleden weggeworpen en geheel uitgedoofd gewaande fakkel, zo schreef hij breed en gedragen aan het slot van zijn toelichting, in een mooie parodie op breed en gedragen domineesgezalf. Zie de jeugd de fakkel opnemen - `en zolang dat nog gebeurt, zal in de duisternis van de hedendaagse barbarij het vlammetje van de hoop op betere tijden voor dichter en lezer blijven flakkeren.

Robert Gernhardt, `Gedichte 1954-'94' (Haffmans Verlag, Zürich 1996)