Het flexibele fascisme van Maria Montessori

Het Montessori-onderwijs beleeft moeilijke tijden. Een Amsterdamse Montessori-basisschool kwam vorig jaar in het nieuws toen de rechtbank een van de ouders een financiële vergoeding toekende voor bijlessen, om de kennis van haar schoolgaande kind bij te spijkeren. Vervolgens bleken enkele Montessori-scholen onderaan te hangen in ranglijsten voor onderwijsprestaties. Toen kwam het `studiehuis', de nieuwe vorm voor het voortgezet onderwijs die is opgetuigd met Montessori-begrippen als `zelfwerkzaamheid', onder onophoudelijke kritiek van leraren.

Als klap op de vuurpijl verscheen vorige week een proefschrift over de relatie tussen Maria Montessori en het Italiaanse fascisme van Mussolini. Sommige reacties deden vermoeden dat zojuist was onthuld dat het Montessori-onderwijs een kaderschool voor jonge zwarthemden was geweest. Enkele geschrokken schooldirecteuren zeiden al een naamsverandering te overwegen.

Dat lijkt wat overtrokken. Weliswaar heeft Hélène Leenders voor haar dissertatie Montessori en fascistisch Italië. Een receptiegeschiedenis nieuwe bronnen uit het archief gelicht, maar de innige contacten die Montessori tussen 1926 en 1936 onderhield met de Italiaanse fascistenleider zijn op zichzelf geen nieuws. Ze werden vermeld in de biografie die Rita Kramer in 1975 aan Montessori wijdde en komen ook uitgebreid aan bod in de eerder dit jaar verschenen biografie van de historica Marjan Schwegman, Maria Montessori, Kind van haar tijd, vrouw van de wereld (Boeken 14.5.99). Aan het boek van Schwegman, waarin dertig pagina's worden uitgetrokken voor de relatie tussen Montessori en het fascisme, besteedt Leenders geen aandacht, behalve in een voetnoot met de onaardige opmerking dat die biografie een voorbeeld is van hoe het níet moet. Zoals Schwegman in haar boek de publicaties van Leenders had genegeerd.

Die eenkennigheid van beide auteurs is des te opmerkelijker omdat hun visies op de `kwestie' Montessori-Mussolini nauwelijks verschillen. Beiden beschrijven Montessori (1870-1952) als een vrouw die vóór alles haar pedagogische inzichten op een zo groot mogelijke schaal toegepast wilde zien. Voor Montessori bezaten kinderen een natuurlijke aandrang zich te ontwikkelen en maakte dat een lesmethode waarin het kind zoveel mogelijk dingen zelf uitvond tot de meest efficiënte. Bovendien zouden de kinderen zich op die wijze zo normaal en gezond mogelijk ontwikkelen. Het nieuwe kind zou de mensheid van veel problemen verlossen, meende Montessori, nadrukkelijk geïnspireerd door het negentiende-eeuwse positivisme. Leenders laat goed zien hoe Montessori haar persoonlijke overtuigingen nogal eens aan de man probeerde te brengen als wetenschappelijk bewezen, positieve kennis.

De onderwijshervormster wenste de touwtjes van het naar haarzelf vernoemde lessysteem niettemin wel stevig in handen te houden: haar hele leven streed ze tegen valse Montessorianen: degenen die de naam van het systeem wilden voeren, maar niet precies de voorschriften van de bedenkster volgden. Met evenveel energie bestreed ze fabrikanten die zonder haar inmenging, en zonder haar een deel van de baten af te dragen, Montessori-lesmateriaal wilden vervaardigen.

Het boek van Leenders is een wat stroef geschreven, maar gedegen reconstructie van de activiteiten en publicaties van Montessori in de tijd dat ze zich met Mussolini verbond. Meer dan uit eerdere publicaties wordt duidelijk hoe die alliantie tot stand kwam, en hoe het uiteindelijk fout liep.

Halverwege de jaren twintig zocht de internationaal vermaarde pedagoge nieuwe wegen om haar leermethoden aan de man te brengen. Een verbintenis met de nieuwe en inspirerende nationale leider van Italië, Benito Mussolini, leek een uitgelezen mogelijkheid om ook in haar geboorteland eindelijk vaste voet aan de grond te krijgen. Ook de belangen van Mussolini waren duidelijk: hij verwierf aanzien door zich te verbinden met een van de beroemdste kinderen die Italië op dat moment had voortgebracht.

Montessori's eerste poging om met de duce in contact te komen, was in Rome dan ook zeer welkom. Bovendien wist ze haar methode uitstekend te verkopen: ze legde de nadruk op de persoonlijke vorming van het kind zoals die in haar scholen werd nagestreefd, in de wetenschap dat `karakter' voor de fascisten een sleutelbegrip was. Alles was bedoeld, schreef ze Mussolini, `voor de herwaardering van de moed van ons volk en voor de grootheid van ons Onsterfelijk Vaderland'. In dat vaderland was bovendien juist de Riforma Gentile op gang gekomen, een radicaal schoolhervormingsplan dat was geschoeid op idealistische, liberaal-katholieke leest, waaraan het Montessori-onderwijs kon worden gekoppeld, bij wijze van nationaal pedagogisch experiment.

Het leek het begin van een mooie vriendschap. Montessori spande zich in om in woord en geschrift duidelijk te maken hoe haar methode paste bij de fascistische karaktervorming: nieuwe drukken van haar werk werden in toonzetting iets aangepast, bijvoorbeeld door het vaderlandslievende karakter van de methode te benadrukken. De essentie van het Montessori-systeem bleef echter intact. Mussolini trad op als beschermheer en maakte internationaal goede sier met zijn beroemde `zuster'.

Montessori zette echter nooit al haar kaarten op het fascisme. Ze werd geen lid van de partij, en toen ze in 1932 werd gevraagd als spreekster op een door pacifisten gedomineerd congres in Genève, paste ze haar betoog moeiteloos aan. Eén van de aanwezigen rapporteerde haar ommezwaai aan Mussolini, maar de inconsequentie had verder geen gevolgen. De liaison tussen Montessori en het fascisme liep toen al op zijn eind. Het regime werd absolutistischer en begon steeds meer imperialistische trekken te vertonen. De fascistische nadruk op discipline liet zich steeds slechter verenigen met de leer van Montessori en haar ideeën over de deugden van de vrijheid. Bovendien bemoeide Mussolini zich nauwelijks meer met onderwijsbeleid, wat zijn beschermelinge niet ten goede kwam. Ook staken onder Mussolini's aanhangers geruchten de kop op over vermeend antifascisme van Montessori.

Na een ruzie met Emilio Brodero, de van regeringswege benoemde voorzitter van de Italiaanse Montessori-vereniging, vertrok Maria in 1933 naar Barcelona, al keerde ze een jaar later kortstondig terug naar Rome om in een toespraak de verdiensten van Mussolini te prijzen. In 1936 werd de Scuola di Metodo, de Montessori-lerarenopleiding in Rome, op last van de regering gesloten, waarmee het verbond tussen Montessori en Mussolini definitief werd verbroken.

Hoe Maria Montessori schaamteloos opportunistisch probeerde haar gedachtengoed aan de man te brengen, wordt uit Leenders dissertatie eens te meer duidelijk, maar wat we precies aan moeten met de reeds bekende feiten is minder helder. Op het omslag van haar boek wordt beloofd dat uit Leenders' onderzoek zal blijken dat er nogal wat kanttekeningen te plaatsen zijn bij Montessori's ideeëngoed en dat het belangrijk is dat te doen, omdat haar pedagogische inzichten nog altijd een belangrijke rol spelen. Maar opmerkelijk genoeg laat Leenders zelf zien dat de politieke ideeën van Montessori zich moeiteloos lieten aanpassen aan haar gezelschap, en los stonden van haar methode. Die heeft ze in de jaren twintig en dertig weliswaar in fascistisch pakpapier bij Mussolini afgeleverd, maar zonder belangrijke inhoudelijke concessies te doen. Dat haar opportunisme beschamend was, en haar door een koopmansgeest gestuurde fundamentalisme ergerniswekkend, heeft weinig te maken met wat er vandaag de dag gebeurt op Montessori-scholen.

Vandaar dat de promovenda het uiteindelijk met een magere conclusie moet doen. Ze ziet het als haar belangrijkste ontdekking dat het Montessori-systeem blijkbaar niet onkwetsbaar is gebleken voor pogingen tot totalitair misbruik. Maar dat is in de loop der geschiedenis wel van meer theorieën gebleken.

Hélène Leenders: Montessori en fascistisch Italië. Een receptiegeschiedenis. Intro (Baarn), 212 blz. ƒ39,90