Haring! Verse haring!

Sinds 1936 zijn er films gemaakt over de Rembrandt, elk met een eigentijdse visie op de schilder. Ze zijn alle, inclusief de nieuwe Franse Rembrandt-film, te zien op het Nederlands Film Festival.

Een zichtbaar oud geworden Rembrandt komt bij de Amsterdamse Bank van Lening. Het is 1663 en de al jaren failliete kunstenaar koopt een kleinood terug waarmee hij zijn stervende minnares Hendrickje Stoffels wil verrassen. Wanneer de pandjesbaas – een voorname heer met fijnbesnaarde trekken – de naam Rembrandt van Rijn hoort, kijkt hij blij verrast op. Ook hij is namelijk een groot kunstenaar die tot armoede is vervallen. Met onmiskenbaar pathos roept hij uit: ,,Je suis... Zjost vanden Vondèl.'

Deze scène, te zien in de Franse Rembrandt-film van Charles Matton die op het Nederlands Film Festival in première gaat, is niet de enige die meteen kan worden bijgezet in de eregalerij van potsierlijke momenten uit zestig jaar Rembrandt-op-het-witte-doek. In Mattons Rembrandt zien we de oude meester (in de gedaante van de Duitse acteur Klaus Maria Brandauer) als een verlopen zwerver potloodventen tegenover zijn huishoudster. We krijgen de regentenklasse van Amsterdam voorgeschoteld terwijl ze rondloopt op een Muiderkring die gemodelleerd lijkt naar het hof van Lodewijk XV. En we zijn getuige van een collectieve grinnikbui in Rembrandts atelier die nog het meest doet denken aan de zeventiende-eeuwse onderbroekenlol in Jiskefets VOC-persiflage De Heeren van de Bruyne Ster.

Twintig miljoen gulden heeft de Franse Rembrandt gekost – geld dat opging aan steracteurs (Johanna ter Steege als Saskia, Jean Rochefort als professor Tulp, Romane Boringer als Hendrickje), aan weelderige art direction, en aan het naschilderen van acht Rembrandtportretten waarin de originele gelaatstrekken werden vervangen door die van de betreffende acteurs. Het resultaat is, zoals de Franse krant Libération vorige week schreef, `een slechte vervalsing'. Schmierende tonelisten lopen rond in de wereld van Madame Tussaud en Anton Pieck, zonder ook maar een moment een andere emotie bij de kijker op te wekken dan besmuikt hoongelach.

Er is één troost voor Matton: ook zijn voorgangers zijn er niet in geslaagd om van Rembrandt een overtuigend en historisch verantwoord filmpersonage te maken, en in alle Rembrandt-biopics zitten scènes die onbedoeld op de lachspieren werken. Zo liet Jos Stelling in Rembrandt fecit 1669 (1977) de schilder met een Polygoonstem quasi-zeventiende-eeuws uitvaren tegen zijn veeleisende huishoudster (,,Wat zit gij daar oud wijf jong te wezen? (-) Gelooft gij werkelijk mij zo aan u te kunnen binden?'). De nazi-propagandist Hans Steinhoff filmde in 1942 een confrontatie tussen de twee laatste vrouwen uit Rembrandts leven als een sprookje van Grimm, met Geertje als boze stiefmoeder en Hendrickje als onderdrukte wees. En wat te denken van de Hongaars-Engelse regisseur Alexander Korda? Hij schilderde al in 1936 een stereotiep Holland (,,Herrings! Fresh herrings!') waarin Rembrandt zijn Goudse pijp alleen uit de mond haalt om een harinkje te happen – geen sinecure, aangezien hoofdrolspeler Charles Laughton de vis bij het verkeerde eind vast pakt.

Slagschaduwen

De Rembrandt-films van Korda en Steinhoff zijn gedateerd, maar anders dan die van Matton en Stelling (die al bij de première wegens de pompeuze saaiheid door de Nederlandse pers werd neergesabeld) nog wel het aanzien waard. In de Engelse Rembrandt is het Charles Laughton die als `rough, tough, jolly sort of fellow' toch een zekere ontroering weet te wekken. In de Duitse Rembrandt zijn het vooral de cameravoering en de fotografie die bewondering afdwingen. Steinhoff filmde in de traditie van het expressionisme: de kaders zijn scheef, de contrasten scherp, de hoofdpersonen lopen spitsroeden tussen dreigende slagschaduwen. Een heel verschil met de protserige tableau-vivanterie en de brave Rembrandteske belichting waarin Matton en Stelling zich specialiseerden.

Toch zijn alle vier de Rembrandtfilms – die ter gelegenheid van de aanstaande zelfportrettententoonstelling in het Mauritshuis tijdens het Nederlands Film Festival worden vertoond – vooral interessant omdat ze zo mooi illustreren hoe verschillend de makers dachten over het goudhaantje van de zeventiende eeuw. Zoals het Rembrandtbeeld in de afgelopen eeuw met ieder nieuw onderzoek en elke nieuwe tentoonstelling werd bijgesteld, zo is het ook per film anders. Een Duitse Rembrandt heeft weinig gemeen met een Nederlandse, en de Gouden Eeuw ziet er in de jaren dertig heel anders uit dan in de jaren negentig.

Soms lopen filmmakers zelfs voor op wetenschappers en tentoonstellingsmakers. Zeven jaar geleden, bij de expositie De meester en zijn werkplaats (in het het Rijksmuseum), haalde een `Femme fatale in het leven van Rembrandt' de voorpagina van Het Parool. De gemeente-archivaris S. Dudok van Heel, die het biografische hoofdstuk in de Rembrandt-catalogus had geschreven, onderstreepte in een interview hoezeer de controversiële kanten van Rembrandt sinds de negentiende eeuw waren afgevlakt om zijn status als nationale held te beschermen. Rembrandts faillissement en zijn `hoererij' met Hendrickje Stoffels (die om financiële reden niet met hem trouwde) werden zoveel mogelijk verdoezeld, net als zijn relatie met zijn huishoudster na de dood van Saskia. ,,Geertje Dircx, zijn tweede geliefde, was in feite een femme fatale,' zei Dudok. ,,Maar nog in 1969 werd in de catalogus bij de [vorige grote Rembrandt-] tentoonstelling alleen maar gemeld dat Dircx `bij Rembrandt woonde'.'

Voor de filmliefhebber was dat geen nieuws. Al in de vooroorlogse Rembrandt van Alexander Korda speelde Geertje Dircx een belangrijke rol. Niet alleen als een gemeen-ogende verleidster die de goeiige Rembrandt nauwelijks de kans geeft om te rouwen om zijn Saskia, maar ook als materialistische xantippe. Ze kijft, slaat met de deuren en probeert Rembrandt te dwingen om `de mensen waar voor hun geld te geven' opdat ze op stand kunnen leven. Wat overigens niet wegneemt dat Korda's beeld beduidend vriendelijker is dan dat van Hans Steinhoff. Hij schilderde haar zes jaar later af als een monsterlijk ogende furie die aan deuren luistert en Rembrandt berooft van zijn artistieke vitaliteit. Dat Geertje donker geschminkt is, en uitgekozen werd op haar licht-negroïde gelaatstrekken, hoeft niet te verwonderen bij een regisseur die door Goebbels bewonderd werd om zijn propagandafilm Hitlerjunge Quex. Vanzelfsprekend zien de meeste vijanden van Rembrandt er ook behoorlijk sinister-joods uit.

Het is triest, maar Geertje moest op Jos Stelling wachten voor haar rehabilitatie. In Rembrandt fecit is zij jonger en sympathieker een slachtoffer van de male chauvinist pig die Rembrandt (wellicht als gevolg van de maatschappelijke doorwerking van de Tweede Feministische Golf) was geworden. Wreed verstoten door Rembrandt, haalt ze haar recht in een alimentatieproces (waarna Rembrandt haar in het echte leven op zijn kosten liet opsluiten in het spinhuis van Gouda). In Mattons Rembrandt is Geertje tot normale proporties teruggebracht: duivel noch wraakengel, gewoon een van de vrouwen die de monomane Rembrandt op zijn levensweg achterlaat.

Stadse fratsen

Is in Stellings film de invloed van de vrouwenemancipatie zichtbaar en in Steinhoffs film de nazistische demonisering van niet-Ariërs, in Korda's Rembrandt speelt een typisch Brits thema een belangrijke rol: klassentegenstellingen. In de jaren dertig heerste het negentiende-eeuwse beeld van Rembrandt als een onaangepast genie dat zijn leven lang werd dwarsgezeten door de gegoede burgerij in Amsterdam. Korda conformeerde zich daaraan, bijvoorbeeld in de (apocriefe) scène waarin de schutters van Banning Cocq in hoongelach uitbarsten bij het zien van de Nachtwacht. Maar hij voegde ook een aantal veelzeggende scènes toe die in geen enkele biografie te vinden zijn. De belangrijkste daarvan is het bezoek dat Rembrandt in een opwelling aan zijn ouderlijk huis brengt als hij genoeg heeft van het gedram van de upwardly mobile Geertje. In de Leidse molen, die inmiddels draait op de inspanningen van zijn broer, eet hij `zwart brood' (,,peasant's bread: I'm home'), waarna hij naar de dorpskroeg gaat. Wat blijkt? Hij is daar als mooie meneer met stadse fratsen niet meer welkom, en moet acceptatie afdwingen in een vechtpartij.

,,The world is a cage with iron bars,' zegt Charles Laughton in de film van de voor de nazi's gevluchte Korda; ,,you beat your head against them to no avail.' Een dubbeltje wordt nooit een kwartje; maar misschien is dat maar goed ook. Wie zou er willen toetreden tot de klasse van ijdele regenten die alleen maar in geld geïnteresseerd zijn en de kleine geneugten des levens niet waarderen? Rembrandt niet. Tenminste, volgens Korda, die de schilder op zijn gelukkigst toont wanneer hij in de kroeg zit te drinken met bedelaars en armeluisvrienden. Dat Rembrandt in werkelijkheid afkomstig was uit de hogere middenklasse en bepaald niet solliciteerde naar de positie van working-class hero, zou pas jaren later een geaccepteerd idee worden.

Resten van Korda's Rembrandtbeeld zijn nog terug te vinden in de recente film van Charles Matton. Ook in de Franse opinie is Rembrandt een slachtoffer van de gesloten regentenklasse van Amsterdam. In de salons verwijten breedgekraagde calvinisten de schilder zijn vulgariteit en zijn religieuze tolerantie. Rembrandts (financiële) ondergang volgens de laatste wetenschappelijke inzichten heel wat minder dramatisch dan altijd werd gedacht is dan ook het gevolg van het verraad van zijn oude vriend Jan Six, die zijn regenteske positie niet wil verliezen, en van de koudhartigheid van de aartssnob professor Tulp.

Kunstenaarsbeest

Rembrandt zelf is in de film van Matton een heus kunstenaarsbeest: sensueel, vrijgevochten, genereus, boers, viriel. Hij schoffeert een opdrachtgeefster door haar af te beelden met een dode aap in plaats van haar schoothondje, en gedraagt zich ook in andere opzichten als een verwende puber. Wat een verschil met de Rembrandt die 22 jaar eerder door Stelling ten tonele werd gevoerd: een zwijgzame, teruggetrokken nurks, die verpletterend egocentrisch door het leven gaat en ter verklaring van zijn botte gedrag aanvoert dat hij `de vrijheid zoekt om de vrijheid te zoeken'. De Nederlandse Rembrandt, gespeeld door Frans Stelling (de broer van de regisseur), is op en top het getergde individu: ,,Niemand kan mij het recht ontzeggen om te doen en te laten wat ik wil,' luidt zijn credo tijdens een zeldzame emotionele uitbarsting.

Ieder tijdperk, iedere cultuur heeft zijn eigen Rembrandt, en de verschillen tussen die van 1977 en die van 1999 laten zich gemakkelijk verklaren. Jos Stelling gaf zijn hoofdpersoon vorm in de hoogtijdagen van het Ik-tijdperk, en het is dan ook niet verwonderlijk dat Rembrandts voornaamste eigenschap in Rembrandt fecit zijn egoïsme is: alles en iedereen moet wijken voor des schilders drang tot zelfontplooiing. Charles Matton werd bij zijn karakterisering van de `vulgaire' Rembrandt niet zozeer beïnvloed door maatschappelijke ontwikkelingen, als wel door de beroemdste kunstenaarsfilm van de afgelopen decennia: Amadeus (1984). Net als Milos Formans Mozartbiografie kun je de Franse Rembrandtfilm het best beschrijven als een portret van de kunstenaar als een groot kind.

Modern is de film van Matton dus wel; geheel in overeenstemming met de karakteriseringen van hedendaagse kunsthistorici (`een nare man' concludeerde Gary Schwartz in zijn recente Rembrandtbiografie) wordt de schilder getoond als mens met menselijke zwakheden. Maar veel kijkplezier levert dat niet op. Geef ons dan maar Korda's joviale dikbuik, die met een Van Goghiaanse strohoed op zijn hoofd in een Koekkoek-decor de strijd aanbindt met de upper class – en die en passant eeuwige trouw bewijst aan zijn Saskia en zijn Hendrickje. Of geef ons Steinhoffs workaholic, die hartstochtelijk liefheeft en zijn arme kunstbroeder Hercules Seghers met zijn laatste beetje geld van de hongerdood redt. Zoals de Duitse Rembrandt zegt wanneer hij zijn onconventionele schuttersportret van de compagnie van kapitein Banning Cocq verdedigt: te veel realisme is de dood in de pot.

`Rembrandt' van Charles Matton gaat tijdens het Nederlands Film Festival in première op do 23 sept (Camera, Utrecht, 19.30u) en is vanaf 30 sept in de Nederlandse bioscopen te zien. De overige Rembrandtfilms worden t.g.v. het Rembrandtfilmretrospectief ook in Utrecht vertoond: o.a. Steinhoffs film op vr 24 sept, Stellings film op di 28 sept, Korda's film op wo 29 sept. Op do 26 Rembrandt documentaires, o.a. van Bert Haanstra. Reserveringen:

030 - 2381144 of 030 - 2381280.

De Rembrandt-film van Charles Matton is sterk verwant met `Amadeus'

Geertje Dircx een femme fatale?

Voor de filmliefhebber was dat geen nieuws

    • Pieter Steinz