Gereformeerd historicus

Oud-premier Jelle Zijlstra heeft een treffende samenvatting gegeven van de ontwikkeling die de woensdag overleden gereformeerde historicus George Puchinger heeft doorgemaakt: ,,Ik zie het zo, dat Puchinger in de aanvangsfase het gereformeerde huis heeft willen kuisen, het dak herstellen, de fundamenten verstevigen en de stijl van het meubilair in overeenstemming wilde brengen met de aard van het gebouw. Later heeft hij de buitendeur ontdekt, gemerkt dat die open kon, zodat je naar buiten kon gaan, de tuin in. Het huis is gebleven, hij toeft er graag, schrijft erover, nodigt ons uit binnen te komen. Maar hijzelf verblijft gaarne en veel in de tuin.''

Zijlstra schreef deze zinnen in de feestbundel die verscheen ter gelegenheid van Puchingers 65ste verjaardag en diens afscheid als hoofd van het Historisch Documentatiecentrum voor het Nederlands Protestantisme aan de Vrije Universiteit in 1986.

George Puchinger is in brede kring bekend geworden door zijn driedelige magnum opus over de geschiedenis van de kabinetsformaties tussen 1918 en 1939, Colijn en het einde van de coalitie, alles bij elkaar meer dan 2.600 pagina's. Puchinger documenteerde niet alleen de parlementaire geschiedenis van de jaren tussen de beide wereldoorlogen, schreef Harry van Wijnen in deze krant bij het verschijnen van het derde deel, ,,maar vooral de constitutionele mores van ons politieke bestel''. Maar Puchinger was geen meester in zelfbeperking. Geen detail ontging hem, zelfs de meest marginale documenten kregen een vermelding. Puchinger was vooral bewonderend collectioneur, minder analyticus. Hij verspilde wel erg veel papier, vonden de critici.

Puchinger speelde al jong een toonaangevende rol in het gereformeerde academische leven. Als kind van een gevluchte Hongaarse moeder dat op zijn vijfde wees werd, groeide hij op in pleeggezinnen in Zeist. Na het Zeister lyceum ging hij naar de Universiteit van Utrecht, waar hij `á la carte' colleges volgde aan diverse alfafaculteiten. In de Tweede Wereldoorlog raakte hij betrokken bij het studentenverzet en belandde wegens hulp aan joden enige tijd in de gevangenis in Leeuwarden.

Na de oorlog richtte hij het tijdschrift Polemios op, dat hij voor een belangrijk deel zelf volschreef en waarin hij niet alleen kerkelijke, maar ook politieke en culturele vraagstukken aan de orde stelde. Puchinger hekelde alle gereformeerde halfhartigheid, toonde zich een hartstochtelijk volgeling van de Kampense hoogleraar K.Schilder, die in 1944 door de gereformeerde synode was afgezet, en keerde zich tegen de Doorbraakgedachte die kort na de oorlog veel aanhangers verwierf.

Na de afronding van zijn studie vertrok Puchinger in 1958 naar Shell om het werk van zijn overleden leermeester, de historicus prof. F.C. Gerretson, te voltooien: het schrijven van de geschiedenis `der Koninklijke', zoals de voorloper van Shell werd genoemd. In 1971 benoemde de Vrije Universiteit hem als hoofd van het Documentatiecentrum voor het Nederlands Protestantisme.

Naast zijn werkzaamheden voor Shell en de VU bleef Puchinger actief bij de verdere ontwikkeling van het gereformeerde erfgoed. Hij was van 1964 tot 1974 voorzitter van de Reünistenorganisatie van de gereformeerde studentenvereniging SSR, die jaarlijks druk bezochte congressen organiseerde. Puchinger deed het inhoudelijke voorwerk door de publicatie van uitvoerige interviews met de sprekers, die later gebundeld werden uitgegeven. Deze boeken over thema's als secularisatie, christendom en kunst en de relatie tussen Rome en de Reformatie, zijn nog steeds in menige gereformeerde boekenkast te vinden. Dit was de tijd dat Puchinger de gereformeerde deuren naar de tuin openzette. Bisschoppen maakten hun opwachting op de SSR-congressen in Lunteren.

Puchinger was een zeer productief scribent. De bibliografie die bij de viering van zijn 75ste verjaardag werd samengesteld telt 160 bladzijden, waarvan er 118 in beslag genomen worden door boeken en artikelen van hemzelf, in totaal 1263 nummers, zo telde de verslaggever van Trouw. Lof voor al dat werk is hem bij zijn leven niet onthouden. Hij ontving in 1996 de prestigieuze penning van de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen en een belangrijke Amerikaanse prijs.