Frankrijk kiest terecht voor minder etatisme

De staat: dat is Frankrijk. Althans tot voor kort. De om zich heen grijpende mondialisering heeft zelfs de rol van de staat in Frankrijk niet onberoerd gelaten.

Dat maakt de metamorfose die zich voltrekt nog frappanter, meent Dominique Moïsi.

Wat is de functie van de staat nog in dit tijdperk van mondialisering? De spectaculaire revoluties die plaatsvinden binnen het Franse kapitalisme illustreren fraai het ingrijpende aanpassingsproces dat zich uitstrekt van het bankwezen tot de energiesector. In een land waar de rol van de staat altijd een hoofdrol is geweest en waar nu eenmaal meer staat bestond dan in enige andere Westerse democratische samenleving, is de metamorfose die zich voor onze ogen voltrekt nog frappanter.

De Franse staat, aan één kant geconfronteerd met de euro, die het belang van de staat sterk vermindert, en aan de andere kant met de mondialisering, die eveneens de realiteit van de nationale soevereiniteit onder druk zet, blijkt zich wonderwel aan te passen aan zijn afnemende prioriteit. Het recente driegevecht in het Franse bankwezen tussen de Banque Nationale de Paris, Paribas en de Société Générale, waarin BNP en SG althans een gedeeltelijke overwinning hebben geboekt, is tot dusver wel de meest spectaculaire manifestatie van deze stille revolutie. Of dit gevecht economisch en financieel zinvol is, is een andere kwestie. Het feit dat een `veldslag' is geleverd heeft op zichzelf al voor opschudding gezorgd.

Nog maar een paar jaar geleden was het ondenkbaar dat leden van het `establishment', gestudeerd aan dezelfde elite-colleges (de École Polytechnique dan wel de École Nationale d'Administration) tegen elkaar `ten oorlog' zouden trekken. Inmiddels, onder druk van de mondialisering, identificeren deze elitegroepen zich vooral met hun eigen onderneming en niet meer met elkaar, en geeft men niet langer de voorrang aan de traditionele esprit de corps, het netwerk van studiegenoten binnen het elitestelsel van de staat. De kopstukken noemen elkaar nog wel bij de voornaam, en spreken elkaar zelfs op de televisie aan als mon cher Michel, mon cher Daniel of mon cher André (Michel Pebereau van de BNP, Daniel Bouton van de Société Générale en André Lévy Lang van Paribas), maar ondanks die intimiteit en zelfs ondanks persoonlijke banden zijn ze thans echte rivalen in het wereldwijde overlevingsspel. When the going gets tough, the tough get going – het oude, Amerikaans-kapitalistische motto geldt tegenwoordig zelfs in de van oudsher besloten, streng afgeschermde wereld van het Franse bankwezen.

Het opmerkelijke aan dit gevecht is dat de Franse staat niet alleen niets heeft gedaan om het te voorkomen, maar er zelfs discreet op heeft aangestuurd dat de markt de titanenstrijd (naar Franse begrippen) zou beslechten. Die houding is voor Frankrijk revolutionair en niet alleen wegens het nieuwe laissez-faire, maar om nog een andere, meer structurele reden. De banken die nu op het punt staan met elkaar te fuseren, waren namelijk nog niet zo lang geleden genationaliseerde banken. De BNP en de Société Générale waren dat sinds de Tweede Wereldoorlog, terwijl Paribas werd genationaliseerd op het hoogtepunt van Mitterrands socialistische presidentschap begin jaren '80. Dat men de uiteindelijke beslissing overliet aan de markt, betekende dus in feite dat men het gehele naoorlogse economische gedachtegoed overboord zette. Want de gevestigde financiële orde in Frankrijk was gewoon om met alle egards en zelfs verering, zij het niet in volstrekte gehoorzaamheid, te luisteren naar de `aanbevelingen' van het almachtige ministerie van Economie en Financiën.

De traditionele reflexen van interactie en beïnvloeding, waarin de incestueuze relatie tussen de ambtelijke en de bancaire top tot uiting komt, zullen aan weerszijden natuurlijk nog wel een poosje blijven optreden. De sleutelrol die Jean-Claude Trichet, gouverneur van de Banque de France, heeft gespeeld in de slotfase van de `driebankenslag', illustreert fraai het hybride karakter van de overgangsperiode. Maar de tendens op de langere termijn is duidelijk: de staat mag dan nog de indruk wekken de gang van zaken te `manipuleren', maar heeft in werkelijkheid, hetzij vrijwillig hetzij bij gebrek aan een reëel, serieus alternatief, het strijdperk verlaten – in de wetenschap dat uiteindelijk de Amerikaanse pensioenfondsen het pleit zouden beslechten.

Met dat al is het overigens logisch dat de Franse staat nu streeft naar een nationale consolidering, als een eerste etappe op weg naar het `ruime sop' van onze mondiale tijd. De Franse staat is doende zich aan te passen aan de eisen van de mondialisering. Tot voor kort was de staat geneigd import te beschouwen als een nederlaag en export als overwinning. Thans geldt die dichotomie alleen nog voor bedrijfsovernames. Zolang een Franse onderneming maar duidelijk de touwtjes in handen heeft, worden bundelingen actief bevorderd, zelfs op gevoelige terreinen als de defensie-industrie.

Het Franse particularisme is geen legende, maar een geleidelijk wegebbende realiteit. Het Franse kapitalisme is dynamisch en vooruitstrevend. Bijgevolg heeft de staat er nu voor gekozen tegen zijn eigen traditie in, sommigen zouden zeggen tegen zijn eigen aard in, zijn rol in de nieuwe situatie te beperken, omdat men thans een groter vertrouwen heeft in de kracht van de Franse economie.

De overtuiging heeft postgevat (al zijn er natuurlijk nog wel enkele verzetshaarden) dat minder méér is en dat de vitale belangen en verantwoordelijkheden van de staat niet mogen worden verward met de reikwijdte van zijn macht of zelfs zijn invloed.

Dit terugtreden van de staat gaat gepaard met een geleidelijk afnemend prestige. Een hoge ambtelijke positie is niet langer de droom van de meest getalenteerde en ambitieuze jonge Fransen en Françaises. Hun staan alternatieve carrières open in de particuliere sector, die niet alleen lucratiever is maar ook, en dat is nieuw, even prestigieus. Franse onderscheidingen zoals de Légion d'Honneur zijn nog even felbegeerd als vroeger, maar althans in Parijs is men geneigd ze minder vaak te dragen, als wil men zijn onafhankelijkheid van de staat benadrukken.

Nu moet een nodige en waarschijnlijk onomkeerbare tendens niet worden verward met een veel complexere, innerlijk tegenstrijdige realiteit. Er is in Frankrijk op dit ogenblik zowel te veel als te weinig staat. Er is te veel wanneer de staat de werkloosheid tracht te bestrijden met ideologische en nauwelijks werkzame maatregelen als de verplichte 35-urige werkweek; en er is te weinig staat wanneer regering na regering om electorale redenen verzuimt haar verantwoordelijkheden onder ogen te zien en hoognodige structurele hervormingen aan te brengen op het sociaal-economische vlak – want blijkbaar is men minder bevreesd voor de wanhoop van de werklozen dan voor de corporatistische macht van hen die de status quo willen handhaven.

Maar per slot van rekening moet worden vastgesteld dat het effect van de mondialisering in een land waar van oudsher gold dat l'État c'est la France, opmerkelijk is.

Dominique Moïsi is directeur van het IFRI en hoofdredacteur van Politique Étrangère.