Een verzegelde persoonlijkheid

Alweer een biografie van Thomas Mann? Gelukkig heeft Hermann Kurzke, hoogleraar Germanistiek in Mainz, zich niet laten afschrikken door de prestaties van zoveel voorgangers want hij heeft hen allemaal achter zich gelaten. Zijn biografie is de beste tot nu toe. Alleen al de afgelopen vijf jaar schreven Ronald Hayman, Anthony Heilbut, Donald Prater en Klaus Harprecht een levensverhaal van Mann. Vooral het meer dan tweeduizend bladzijden tellende monument dat Harprecht vier jaar geleden op de markt bracht (Thomas Mann. Eine Biographie, inmiddels in paperback een bestseller), kon de gedachte sterken dat er over Thomas Mann niets nieuws meer te vertellen was. Maar het boek van Harprecht heeft naast vele verdiensten ook een groot tekort. Hij heeft de klassieke biografenfout gemaakt alles te willen vertellen en niets weg te laten. Geen ontmoeting of reis wordt overgeslagen, geen artikel van Mann blijft onbesproken. Het resultaat is een versplintering waarin de grote auteur verdampt tot het vage centrum van een eindeloze reeks feiten.

Kurzke overtreft al zijn voorgangers doordat hij op even voor de hand liggende als ingenieuze wijze het probleem heeft aangepakt dat elke biograaf van een belangrijk schrijver de grootste hoofdbrekens kost: hoe moet het verband tussen leven en werk worden gelegd? Het werk van Mann, aldus zijn gedurfde uitgangspunt, is gestileerde levensgeschiedenis. De band tussen persoonlijke ervaring en literaire productie was bij Mann heel direct. Kurzke laat zien dat Mann zelf op talloze plaatsen in zijn dagboeken en brieven op die nauwe samenhang heeft gewezen. Hij smeedde zijn eigen leven om tot kunstwerk.

Verfijning

Literatuur was voor deze schrijver een middel om de chaos te beheersen die hem in zijn persoonlijke en maatschappelijke bestaan bedreigde. `Die Biographie seines Herzens steht verzaubert in seinen Dichtungen', schrijft Kurzke. Als biograaf heeft hij daarom de keuze gemaakt vooral aandacht te besteden aan die aspecten van Manns leven die hun weerslag in het literaire werk hebben gevonden. Dankzij zijn grondige kennis van dit oeuvre kan hij laten zien op welke plaatsen en op welke manier Mann zijn eigen werkelijkheid heeft gefictionaliseerd. In slechts een paar bladzijden geeft Kurzke telkens de belangrijkste feiten van een bepaalde fase uit het leven van Mann. Vervolgens concentreert hij zijn verhaal met veel verve op de thema's die in het werk een belangrijke plaats kregen: kinderjaren, gezin, geborgenheid, verval, oorlog, erotiek, etc. Zo voorkomt hij dat de auteur Mann verdwijnt achter zijn levensloop. De schrijver krijgt in dit boek de scherpe contouren van de preoccupaties die zijn leven en werk domineerden.

`Meine Zeit', schreef Mann, `war wechselvoll, aber mein Leben in ihr ist eine Einheit'. Die eenheid in leven en werk berustte vooral op een hang naar verfijning die ook het belangrijkste kenmerk is van zijn stijl. Mann is een magiër van het woord, de schepper van een subtiel-suggestief proza waarmee hij tot in de fijnste atmosferen van het bestaan weet door te dringen. Met zijn pen wilde hij de rauwe en dreigende werkelijkheid niet alleen beheersen maar ook verheffen.

Mann was gefascineerd door de eenzaamheid en geborgenheid van de vroege jeugd, een onderwerp dat zowel in zijn romans als essays terugkeert. De kindervrees voor het verlies van het bekende krijgt in zijn eerste grote roman Buddenbrooks (1901) evenveel aandacht als de overgave aan de fantasie en de droom die in de wereld van het kind zo'n belangrijke plaats heeft. In zijn essay Süsser Schlaf bracht hij een ode aan de veiligheid van het kinderbed `worin wir, warm, unbewusst und mit emporgezogenen Knien wie einst im Dunkel des Mutterleibes, wieder angeschlossen gleichsam an den Nabelstrang der Natur, Nahrung und Erneuerung an uns ziehen auf geheimnisvollen Wegen...'

Kuisheid

De grootste Heimsuchung in het persoonlijke leven van Mann was de erotische aantrekkingskracht die jonge mannen op hem hadden. Kurzke toont met talloze passages uit de brieven en dagboeken aan dat deze begeerte gedurende het leven van Mann een zelden wijkende obsessie was. Van de verliefdheid die de nauwelijks twintig jaar oude Thomas voelde voor de vakantievriend Armin Martens tot de passie van de bejaarde auteur voor de vijftig jaar jongere Zwitserse kelner Franz Westermeier: voortdurend was Mann in de ban van homoerotische verlangens. Toegeven aan deze gevoelens was voor hem onmogelijk. De praktijk van de homoseksuele liefde behoorde voor deze verzegelde persoonlijkheid tot de liederlijke wereld die de afgrond naar de ondergang opende. Deze verliefdheden moesten platonisch blijven. Zijn verlangens behoorden in hun onvervulbaarheid tot `die wortlose Urzustand des Traumens'. Zijn kuisheid was de uitdrukking van een hunkering naar iets hogers dat onbereikbaar moest blijven. Dat is het thema van de novelle Tod in Venedig (1912), waarin Mann een voor die tijd zeer gewaagde vertolking gaf van de betovering op afstand die de jonge Tadzio uitoefende op de oudere schrijver Gustav von Aschenbach. `Haupt und Herz waren ihm trunken,' zo beschrijft hij de gemoedstoestand van dit alter ego, `und seine Schritte folgten den Weisungen der Dämonen, dem es Lust ist, des Menschen Vernunft und Würde unter seine Füsse zu treten.'

Aan belangstelling voor vrouwen ontbrak het Mann overigens niet. Hij had een sterke voorkeur voor het androgyne type dat bijvoorbeeld gestalte kreeg in de figuur van Claudia Chauchat uit Der Zauberberg (1924). Ook de ranke Katia Pringsheim, met wie hij in 1905 trouwde, oogde in de beschrijving van Kurzke `etwas Knabenhaft'. Deze biograaf gaat uitvoerig in op de vraag waarom Mann zoveel moeite deed om haar te veroveren (wat niet eenvoudig was), juist nadat een gepassioneerde toenadering tot de schilder Paul Ehrenberg op een mislukking was uitgelopen. Wilde hij de kwelling van de homo-erotische begeerte op afstand houden door in de geborgenheid van het huwelijk te vluchten? Volgens Kurzke speelden ook andere motieven een rol. De keuze voor het schrijverschap was voor Mann enerzijds een bevrijding geweest uit de beschermde wereld van de ouderlijke welstand, maar dat burgerlijke bestaan was hij aan de andere kant al teveel gaan koesteren om het niet te missen. De Buddenbrooks laat zich lezen als een liefdesverklaring aan dat milieu. Het huwelijk met Katia, dochter van een joodse multimiljonair die in München veel aanzien genoot, bracht die conformistische omgeving in een andere gedaante terug. De band met zijn vrouw, die in Doktor Faustus (1946) als Marie Godeau en in Joseph und seine Brüder (1933-1943) als Rahel liefdevol wordt geportretteerd, was overwegend harmonieus. Hoewel afgestudeerd in de wiskunde nam zij genoegen met een dienende rol in een gezin dat zes kinderen zou gaan tellen.

Politiek interesseerde Mann tot 1914 niet of nauwelijks, maar bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog koos hij hartstochtelijk partij voor de Duitse natie. Die keuze kreeg drie jaar later in de Betrachtungen eines Unpolitischen een uitvoerige rechtvaardiging. Volgens Kurzke, die als literatuurspecialist duidelijk minder affiniteit heeft met de politieke dimensie van Manns werk, werd dit ruim zeshonderd bladzijden tellende traktaat vooral geschreven uit persoonlijke motieven. Na Tod in Venedig, dat de schrijver op de beschuldiging van een tegennatuurlijke voorkeur was komen te staan, zou Mann in de onvoorwaardelijke steun aan de Duitse oorlogsvoering een mogelijkheid hebben gezien om zijn mannelijkheid te bewijzen. Kurzke, die in de publikatie van de Betrachtungen bovendien een poging ziet van Thomas om het lang sluimerende conflict met diens oudere broer Heinrich (die de kant van de geallieerden koos) op de spits te drijven, doet met deze verklaring onvoldoende recht aan de politieke inhoud van dit boek. In de Betrachtungen verdedigt Mann de conservatief-esthetische levenshouding die in zijn ogen typisch Duits was en die volgens hem bedreigd werd door het grof-optimistische vooruitgangsdenken dat in Frankrijk en Engeland overheerste. In de vorm van de dialoog tussen Naphta en Settembrini voerde hij dit fundamentele conflict ook op in Der Zauberberg.

Ook de keuze van Mann voor de in Duitsland omstreden republiek van Weimar wordt door Kurzke te eenzijdig tot persoonlijke drijfveren herleid. Volgens de biograaf stond dit standpunt vooral in het teken van bewondering voor de Amerikaanse homoseksuele dichter Whalt Whitman, die de democratie aanprees als een veilige bedding voor de mannenvriendschap. Uit de geschriften van Mann blijkt echter dat hij zich al begin jaren twintig met dezelfde esthetisch georiënteerde argumenten tegen de rechtsextremistische nazi's keerde die hij in de Betrachtungen had gebruikt om het Frans-Engelse vooruitgangsgeloof af te wijzen. Mann zag heel scherp dat het nationaal-socialisme een politieke onderwereld vertegenwoordigde die vervuld was van barbaarse destructiedrang. Het gekoesterde universum van de verfijning en de esthetica zou volgens zijn vrees een van de eerste doelwitten worden van dit gangsterdom. In de nieuwe democratie, hoewel door de Westerse geallieerden aan Duitsland opgelegd, zag hij een dam tegen de aanstormende barbarij.

Ondergang

Toen Hitler in januari 1933 aan de macht kwam, dwong het nieuwe regime Mann zijn land te verlaten, met achterlating van veel dat hem dierbaar was. Uiteindelijk kwam hij in Amerika terecht, een land waar hij zich nooit thuis zou voelen en dat hij na afloop van de tweede wereldoorlog verliet, zonder zich ooit weer in Duitsland te vestigen. Hoewel zwaar getroffen door het nazisme, dat in zijn woorden een `Elendmischung aus vermufften Seelentümer und Massenklamauk' vertegenwoordigde, onderkende hij hoezeer Hitler een Duits fenomeen was. De `Totschlagelust' van de nazi's was een variant van de fascinatie voor dood en ondergang die ook in zijn eigen werk een prominente plaats heeft. Dat inzicht bracht hem tot het schrijven van Bruder Hitler (1938) en dit thema keert terug in zijn laatste grote roman Doktor Faustus.

Waarom is men geïnteresseerd in het levensverhaal van een bewonderd schrijver? Niet om tot in alle details zijn bewegingen en uitlatingen te leren kennen. Men wil weten wat voor iemand het was en vooral hoe zijn levensloop en persoonlijkheid beslag hebben gekregen in zijn werk. Die nieuwsgierigheid wordt door Kurzke op een knappe manier bevredigd.

Herman Kurzke: Thomas Mann. Das Leben als Kunstwerk.

Beck, 672 blz. ƒ90,40

    • Ronald Havenaar