Een guerrilla tegen heilige huisjes

Toen The Irish Times op 4 september j.l. de shortlist voor haar tweejaarlijkse Literature Prizes publiceerde, bleek dat de jury een boek had voorgedragen dat eigenlijk, gezien de publicatiedatum, helemaal niet voor een prijs in aanmerking mocht komen. A Star Called Henry van Roddy Doyle vormde echter een uitzondering volgens de jury, `as a book that is already part of our literary culture.' Geen geringe prestatie voor een boek dat nog maar net in de winkel ligt, zelfs al is het geschreven door de louter bestsellers producerende Bookerprize-winnaar Doyle.

Nu heeft Roddy Doyle (41) altijd al een gevoelige snaar in de Ierse psyche weten te raken. Eerst was hij de liefdevolle chroniqueur van de Dublinse arbeidersklasse in zijn Barrytown Trilogy en het bekroonde Paddy Clark Ha Ha Ha (1993). Gaandeweg kwamen de minder rooskleurige kanten van de Ierse samenleving duidelijker naar voren in zijn werk, en met The Woman Who Walked Into Doors (1996), over een mishandelde vrouw, haalde hij zich de woede van zo ongeveer heel Ierland op de hals, uitgezonderd een paar vrouwenorganisaties.

In zijn nieuwe roman doet Doyle er nog een schepje bovenop. A Star Called Henry vormt het eerste deel van een nieuwe trilogie, The Last Roundup, waarin het vroegwijze straatschoffie Henry Smart zijn levensverhaal vertelt. Deze historische schelmenroman vol bijtende sociale en politieke kritiek, en gelardeerd met uitzinnige humor, is verreweg zijn meest ambitieuze boek tot nu toe, en geeft een ontnuchterend beeld van de Ierse geschiedenis in de twintigste eeuw.

Henry's verhaal begint in de sloppen van Dublin rond de eeuwwisseling. Zijn moeder is een straatarm fabrieksmeisje, zijn vader de eenbenige uitsmijter van Dublins grootste bordeel, berucht om de behendigheid waarmee hij zijn houten been kan afgespen om er lastige klanten de hersens mee in te slaan. Daarnaast is hij ook de man die mensen laat verdwijnen voor Dublins machtigste crimineel-zakenman. Veel meer weet Henry niet over zijn vader: `He made up his life as he went along. Where was his leg? South Africa, Glasnevin, under the sea. (...) He invented himself, and reinvented.' Maar zijn vader was niet zomaar een leugenaar, vertelt Henry, `he was a survivor; his stories kept him going.' Dit werpt een interessant licht op Henry's eigen sterke verhalen, want ook hij is een survivor, en lijkt meer op zijn vader dan aanvankelijk duidelijk is.

Op zijn vijfde verruilt Henry voorgoed de ouderlijke kelderkrocht voor een leven op straat, ratten vangend, stelend, bedelend; snel, gewiekst, charmant en zich al vroeg bewust van zijn onweerstaanbare aantrekkingskracht op vrouwen. Hij sluipt een school binnen en leert zijn eigen naam te schrijven; hij leert te overleven.

Het verhaal pikt dan de draad weer op in 1916, wanneer Henry zich op 14-jarige leeftijd heeft aangesloten bij de rebellen die het centrale postkantoor van Dublin bezetten, en er de Ierse republiek uitroepen. Van meet af aan zijn er echter strubbelingen tussen de socialistische Citizen Army van Connolly, waar Henry bij hoort, en de religieus-romantisch geïnspireerde middle class Volunteers onder leiding van Pearse, `the poets and the farmboys, the fuckin' shopkeepers'. Henry heeft al snel door dat deze twee kampen niet aan dezelfde kant vechten. `I didn't give a shite about Ireland,' beseft hij, `We were fighting a class war.' Maar de opstand slaat niet over naar de rest van het land, zoals gehoopt. Sympathie voor de revolutie ontstaat pas bij het volk wanneer de laatste rebellenleiders door de Britten zijn doodgeschoten.

Henry weet op wonderbaarlijke wijze te ontsnappen, wordt dokwerker, en laat zich dan toch weer verleiden door de vleierij van een zekere Jack Dalton om zich in te zetten voor de strijd. Niet toevallig runt deze Jack ook de propagandamachine van Sinn Féin. Jack vertelt hem dat hij een levende legende is, dat het volk liedjes over hem zingt. Henry wil niets liever zijn dan een ster. Voor vrijheid en heldendom fietst hij het platteland af, recruteert en traint hij guerrilla's, en liquideert hij spionnen op bevel van hogerhand. Ondertussen trouwt hij met zijn oude schooljuffrouw, `rebellette' en eerste liefde, Miss O'Shea.

Henry heeft echter zijn eigen gezonde verstand ondergeschikt gemaakt aan andermans ideologieën, en wat hij zo feilloos aanvoelde tijdens de Easter Rising ziet hij nu veel te laat in: dat klassenverschillen nog steeds allesbepalend zijn, dat het voetvolk als vervangbaar wordt beschouwd en buiten politieke beslissingen wordt gehouden. Intussen hebben de guerrillastrijders die hij heeft getraind zich omgevormd tot ware machtswellustelingen, die goede banden onderhouden met alle partijen, want `all the best soldiers are businessmen.' Oprechte revolutionairen als Henry en zijn vrouw brengen de vrije handel maar in gevaar. Bovendien kan het nieuwe, respectabele regime zijn oude moordenaars niet meer gebruiken. Er wordt Henry te verstaan gegeven dat hij nu ook een `spion' is, die maar beter het land kan verlaten: `We needed trouble-makers and very soon now we'll have to be rid of them. And that, Henry, is all you are and ever were. A trouble-maker.'

Het is, kortom, niet moeilijk om te zien waarom de jury van de Irish Times stelde dat A Star Called Henry het Ierse literaire klimaat grondig zal beïnvloeden. Doyle schopt hier met veel plezier tegen behoorlijk wat heilige huisjes aan, ondermijnt alle heroïek van de revolutie en nuanceert een aantal gangbare opvattingen over bijvoorbeeld de beruchte Britse ordetroepen Black and Tans.

Ook roept zijn roman interessante vragen op over de rol van geweld en macht, terrorisme ten koste van de bevolking, over ideologieën en idealen, over katholicisme, kapitalisme en klassenverschillen. Daarbij zou je bijna nog vergeten dat A Star Called Henry geschreven is in een vloeiende, geestige stijl, met de briljante dialogen waar Doyle om bekend staat en Dickensiaanse beschrijvingen van de gruwelijke armoede in de sloppen. Tegenover zijn ontmythologisering van de Ierse geschiedenis stelt Doyle een personage dat zijn eigen leven tot een mythe herschept, onverwoestbaar en larger-than-life. Aan het einde van het boek is Henry twintig, heeft hij alles overleefd, en staan er ons nog twee delen van The Last Roundup te wachten. Het zou wel eens Doyles magnum opus kunnen worden.

Roddy Doyle: A Star Called Henry. Jonathan Cape, 352 blz. ƒ49,95. De Nederlandse vertaling, De ster Henry Smart, verschijnt eind september bij Nijgh & Van Ditmar, ƒ39,90