De lange lijnen in `Tristan'

`Ik dirigeer vaak nog met te hoge armen.' Nederlands jongste chef-dirigent Lawrence Renes over zijn carrière en muziek.

Hij komt net uit Lelystad van een ochtendje vliegen. Na de muziek en het dirigentenvak is dat Lawrence Renes' tweede liefde. Maar praten over het waarom van zijn passies gaat hem moeilijk af. Wat maakt een muziekstuk tot een meesterwerk? Hoe leg je aan een orkest uit waar Wagners Tristan und Isolde onder de oppervlakte over gaat? Lawrence Renes (29) uit zich liever in muziek dan in taal.

Sinds vorig seizoen is Renes chef-dirigent van Het Gelders Orkest. Daarmee reist hij deze maand door het land met een alom geprezen productie van Tristan und Isolde bij de Nationale Reisopera. Lawrence Renes is perfectionist, altijd geweest. Zijn studie orkestdirectie aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag voltooide hij cum laude, hij bekwaamde zich in de eerste beginselen van de beroepspraktijk als assistent van Edo de Waart bij het Radio Filharmonisch Orkest en werd er meteen daarna aangesteld als gastdirigent. En door ziekte van Riccardo Chailly mocht Renes, toen net 25, invallen bij het Koninklijk Concertgebouworkest. Langzaam verstomde de ongerustheid over het uitblijven van een nieuwe generatie Nederlandse dirigenten. ,,Ik werk ook ontzettend hard,'' verklaart hij droog. ,,Toen ik nog turnde, was ik net zo fanatiek. Wanneer je een salto maakt is het leuker op je voeten terecht te komen dan te vallen. En zo is het in de muziek ook. Succes en applaus zijn een stuk bevredigender dan tegenslag en boegeroep.''

Lawrence Renes doet denken aan Tonio Kröger uit de gelijknamige novelle van Thomas Mann. Hij is, net als het romanpersonage, zoon van een moeder uit het Zuiden en een vader uit het Noorden, en onderkent die gemengde achtergrond als een basis van zijn kunstenaarschap. ,,Ik voel me Nederlands, ik ben hier geboren en getogen. Maar mijn moeder komt uit Malta en dat speelt ook een rol. Ik ben heel katholiek opgevoed, en dat geeft me in mijn werk een gevoelsbasis. De symfonieën van Bruckner zijn doordrongen van liefde, en dat moet je ook tot klinken brengen. Niet ongrijpbaar en etherisch, maar aards en uit de onderbuik. Dan denk ik aan de manier waarop mannen op Malta bijna verliefd zijn op de maagd Maria in plaats van haar als icoon te vereren. Precies zo moet je Bruckner ook benaderen, en om dat te bereiken helpt mijn zuidelijk temperament - hoe cliché het ook is om dat te zeggen. Voor Schumann ben ik juist weer bang. Zijn symfonieën vereisen een protestantse strengheid die ik vooralsnog niet in me heb.''

Renes benadert zijn eigen achtergrond en ontwikkeling niet met vurige monologen of doorwrochte bespiegelingen. Zo onkreukbaar en monter als hij oogt zijn ook zijn ideeën, verwoord in een vocabulaire waarin `leuk' en `uitdagend' in vrijwel elke zin opduiken. Maar hij meent het. ,,Wat Valery Gergjev doet bij het Rotterdams Philharmonisch Orkest vind ik schandalig. Er zó weinig zijn en het instuderen aan anderen overlaten. Voor mij houdt het chef-dirigentschap meer in. Het Gelders Orkest is een goed orkest, en het wordt ondanks de onderbezetting en financiële moeilijkheden steeds beter. Maar we zijn er nog lang niet. Ik wil werken aan een ensemble dat niet alleen de nootjes beter gaat spelen, maar fundamenteel groeit. Dat kost tijd, en daarom wil ik als mijn contract over twee jaar afloopt ook graag langer aanblijven.''

Veeleisend

De samenwerking met het Gelders Orkest is vaak enerverend en emotioneel, zegt Renes. ,,Ik neem het orkest twee versnellingen hoger mee en dan merk je dat mensen bang zijn dat discipline ten koste gaat van hun speelplezier. Maar naar mijn idee begint plezier in muziek met keihard repeteren, om daarna samen des te meer te kunnen genieten van het resultaat. En als ik het orkest dan zie glimmen bij het enorme applaus na de première van Tristan en Isolde, dan denk ik: we zijn op de goede weg!''

Renes' mentaliteit stuit soms op weerstand. Bij de Vlaamse Opera liep de samenwerking na enkele producties spaak vanwege een wezenlijk meningsverschil tussen Renes en de intendant aldaar. Maar hij houdt vast aan zijn artistieke eisen. ,,Heel veel mensen vonden mij daarom in het begin ontzettend arrogant, maar dat is onzin. Ik ben veeleisend, niet hooghartig. Ik vecht voor de muziek, voor goede resultaten. Laatst kwam er een orkestlid naar me toe. Hij zei: `Ik weet dat we beter kunnen en je moet ook streng zijn, maar nu worden we écht een beetje bang van je.' Dan is het tijd om de teugels te laten vieren, dan merk ik dat ik ben doorgeschoten in mijn ambities. Maar ik eis wel van musici én van een organisatie dat iedereen zich tot het uiterste inzet voor het eindresultaat. Dat doe ik zelf net zo goed. Half werk staat me tegen. Dan ga ik veel liever vliegen.''

De jaren bij het Gelders Orkest zijn Renes' leerjaren. Zo zal hij zich deze periode later herinneren. ,,Ik programmeer bewust werken waar het orkest wijzer van wordt, maar waar ik zelf óók van leer. John Adams voor de concentratie en het tellen, Franse muziek omdat ik daar technisch meer moeite mee heb. In principe kun je met het Gelders Orkest net zo goed muziek maken als met het Koninklijk Concertgebouworkest, maar ik vind dat nog steeds moeilijk.

`Dirigeer altijd de muziek, nooit de problemen of tekortkomingen van een orkest,' zei zijn mentor Edo de Waart altijd tegen hem. ,,Dat was een hele wijze raad. Ik dirigeer vaak nog met te hoge armen. Dan wil ik méér uit het orkest halen, en vang dat op die manier op. En de expressiviteit van mijn linkerhand behoeft óók verbetering. Dat moet allemaal langzaam groeien. Laatst zag ik beelden van Herbert von Karajan in zijn jonge jaren en zijn slagtechniek had exact dezelfde tekortkomingen als de mijne nu. Ook zo'n klein, dun ventje met grote gebaren. Dus ik heb goede hoop!''

Muziek moet een feest zijn, vindt Renes. Zoals bij Claudio Abbado, die in álle muziek vibreert van energie. Of Bernard Haitink, die hedendaagse muziek net zo geweldig uitvoert als een werk van Wagner of Debussy. ,,Zo wil ik ook worden. Niet alleen opera's dirigeren, niet alleen maar symfonische muziek. Ik hou van afwisseling. Alleen in muziek maken in brede zin wil ik specialist worden.

,,Als iemand die ik bewonder me een muziekstuk aanraadt, kan ik me daar helemaal in verliezen. Mijn smaak is nog in ontwikkeling, ik vind maar weinig muziek niet mooi. Nou ja, Kurt Weill vind ik verschrikkelijk. Het merkwaardige is dat Mozart, Beethoven en Haydn voor mij de drie allergrootste componisten zijn, maar Wagner me veel meer onder de huid kruipt, merk ik nu. Die lange lijnen in de Tristan, het aanzwellen en weer afnemen in een onafgebroken stroom van emoties – het laat me niet meer los. Na afloop van voorstelling voel ik me totaal leeg – dan kan ik niets anders doen dan op mijn hotelbed naar een heel stom televisieprogramma staren.''

Jong zijn, maar ook een dirigent met een internationale carrière. Het houdt de buitenwereld meer bezig dan Renes zelf. Het komt wel voor dat hij in Houston is voor een Mozart-opera, of in Berlijn voor een concert en dan opeens zijn vrienden mist. ,,Maar dan gun ik mezelf gewoon een vliegticket en pendel voor één feestje op en neer.'' Zijn leeftijd doet niet terzake, vindt hij. Behalve op de bok voor het Concertgebouworkest, dáár voelt hij zich jong. ,,Dan word ik timide, ga ik onbewust U zeggen tegen de musici. Niet uit verlegenheid, maar uit respect en het gevoel dat ik daar nog niet hoor te staan. Dat het alleen maar een gunst is van het orkest mij die kans te geven.

,,Gelukkig zeggen musici vaak dat ik energiek en inspirerend overkom. Dat is dan mijn compensatie voor de ervaring die ik mis. Maar het begint een beetje te komen, ik merk de laatste maanden dat ik kan terugvallen op een piepkleine basis van ervaring. En dat is een heerlijk gevoel.''

Tristan und Isolde van Richard Wagner door de Nationale Reisopera o.l.v. Lawrence Renes. 21 en 24/9, Rotterdamse Schouwburg; 28/9 Stadsschouwburg, Eindhoven; 1/10, Theater aan het Vrijthof, Maastricht; 3/10, De Harmonie, Leeuwarden.