De Club van Rome: Grenzen aan de groei, 1972

`Ramp bedreigt wereld.' Dat meldde NRC Handelsblad op de voorpagina van 31 augustus 1971. Het was misschien oud nieuws want rampen bedreigen de wereld al duizenden jaren - maar redacteur A. de Kool had er een wereldprimeur aan. De lezers werden gewaarschuwd dat er binnen enkele tientallen jaren een catastrofe zou gebeuren, als de mensheid bleef volharden in het patroon van overvloedige productie, consumptie en bevolkingsgroei.

Het effect in de hele wereld, maar vooral in Nederland, was indrukwekkend. De aankondiging kwam dan ook niet van een onheilsprofeet maar van een groep van ongeveer veertig invloedrijke industriëlen en wetenschappers, onder leiding van Fiat-baas Aurelio Peccei. Zij hadden zich in 1968 verenigd in een informele organisatie onder de naam Club van Rome.

Hun gemeenschappelijke zorg was in feite het oude verhaal van de graankorrels op het schaakbord, ofwel de exponentiële groei. De grondgedachte was, dat als de economische groei en de groei van de wereldbevolking in het toenmalige tempo zouden doorgaan, er rampen zouden gebeuren. De Club van Rome liet die veronderstelling uitwerken door een team van het Massachusetts Institute of Technology (MIT). De wetenschapsmensen gebruikten daarbij een computermodel van een andere Amerikaan, prof. J.W. Forrester, die zich bezig hield met het verloop van dynamische processen in de samenleving.

Het rapport was overigens nog in de ontwerpfase toen NRC Handelsblad dankzij een lek met de primeur kwam. Het definitieve rapport, Grenzen aan de groei. De benarde situatie van de mensheid, verscheen pas in maart 1972. Het werd een sensatie. Alleen in Nederland werden binnen enkele maanden 300.000 exemplaren verkocht, verhoudingsgewijs meer dan waar ook ter wereld.

Wetenschappelijk! Computer! In het rumoer dat volgde, speelde de computer – voor veel mensen in 1971 nog een magische machine – een interessante rol. Een computer zei dat er rampen zouden komen en wie kon daar dan nog aan twijfelen? Maar voor anderen was dat juist een reden om het rapport te ridiculiseren. Hoe zou een dom instrument het gedrag van mensen kunnen voorspellen? De commentator van deze krant (de nu zo weemoedig omgevingsbewuste H.J.A. Hofland) noemde de Club van Rome een soort Bilderberg-vereniging voor de milieubescherming. De computer kreeg volgens hem in dit geval ook de functie van een soort `elektronische Habakuk', een orakel of kristallen bol.

Het was een van de misverstanden die de Club van Rome, door het vroegtijdige lek en een niet zo handig publiciteitsbeleid, zelf opriep. Er bleef een sfeer van geheimzinnigheid rond het gezelschap hangen. Links Nederland van 1972 wantrouwde industriëlen, zeker Italiaanse. Bovendien had de Club niet goed duidelijk gemaakt welke status het rapport had. Het hardnekkigste misverstand was vermoedelijk, dat er sprake was van een voorspelling.

Dat was Grenzen aan de Groei niét. Het rapport liet alleen zien, wat een aantal ontwikkelingen in de wereld teweeg zou brengen als er niets zou veranderen. De mensen van het MIT hadden daartoe vijf parameters (groei van bevolking, van industriële productie, voedselproductie, grondstofverbruik en van milieuvervuiling) in de computer gestopt. Het interessante en ook nieuwe was, dat die vijf groeifactoren in onderlinge wisselwerking werden gebracht – iets waartoe inderdaad alleen de computer in staat was. Het veelgehoorde verwijt dat dit programma geen rekening hield met menselijke aanpassing en prijsmechanismen was dan ook niet terecht. Die pretentie had het rapport niet, hoewel de sombere toonzetting een noodlotstemming opriep.

Het tweede grote misverstand had betrekking op grondstoffen. De onderzoekers gingen bij hun berekeningen uit van een normale exponentiële groei en de destijds bekende voorraden. Een onbegrijpelijke fout was, dat zij het begrip `bekende reserves' niet definieerden. Zij maakten dus geen onderscheid tussen in 1971 economisch winbare reserves, en reserves die dat níet waren (te diep, te ver, te verspreid) maar dat bij een hoger prijsniveau later konden worden. De steenkolen in Limburg bijvoorbeeld worden nu niet bij de reserves gerekend maar ze zitten wel onder de grond. Wie weet gaan de mijnen over vijftig jaar weer open als er een tekort komt aan cokes voor de staalfabricage.

Als resultaat van die manier van rekenen, kwam het rapport van de Club tot nogal paniekerige cijfers: goud zou na negen jaar uitgeput zijn, zilver na dertien jaar, tin na vijftien jaar en aardolie na twintig jaar! Zelfs als de voorraden vijf keer zo groot zouden worden (méér konden de rapporteurs zich waarschijnlijk niet voorstellen), hadden wij nog maar voor 29 jaar goud, 41 jaar kwik, 50 jaar aardolie en 50 jaar zink. Het lijkt er niet op.

De conclusie luidde: gegeven de huidige verbruikscijfers en de voorziene toename van deze cijfers zal het merendeel van de thans belangrijke, onvervangbare hulpstoffen over honderd jaar uiterst kostbaar zijn geworden.

Wat een enthousiasme. Een zin als deze maakt ook nu nog duidelijk, dat de opstellers van het rapport niet zo objectief waren als zij pretendeerden, en dat ze op zijn minst de suggestie van een voorspelling wekten. Het effect was geweldig – in Nederland. Een derde journalist van NRC Handelsblad – en eerlijk gezegd was ik dat zelf – las het rapport, werd een ander mens en schreef snel een boekje: Zijn we nu allemaal gek geworden?. Duizenden voelden hetzelfde, namelijk dat de machine op hol geslagen was, en dat al die verspilling, die zinloze bevolkingsgroei zo beledigend was voor de menselijke intelligentie.

Het was een sombere, maar ook heerlijke tijd. Zeker voor progressieve denkers die weer kansen zagen om de mens te veranderen, goedschiks of niet, in het belang van het collectief. Men dacht aan autorijden met vergunning, twee kinderen per gezin op straffe van iets ergs, en een verbod op de productie van zinloze luxe-goederen. De oliecrisis versterkte de ondergangsstemming, want het `zou nooit meer worden zoals het geweest was'. PvdA, D66 en PPR stelden een commmissie in, genoemd naar de socialist Mansholt, die het rapport Grenzen aan de Groei moest vertalen in beleidsdoelen voor wat het kabinet-Den Uyl van 1973 zou worden. De essentie was: streven naar nulgroei en evenwichtiger verdeling van de overblijvende welvaart. Wat Wim Kok destijds dacht, is niet gemakkelijk terug te vinden. Wel ontstond in brede lagen van de bevolking een bereidheid om te helpen, al wist men niet goed hoe. Vermoedelijk is toen de basis gelegd voor het nationale instinct om groente- en fruitafval in een aparte bak te gooien, al blijkt dat nu een futiele activiteit te zijn, en om glas en oude kranten naar verzamelpunten te brengen.

Maar er gebeurde meer. De schuldloze wederopbouw van na de oorlog was definitief voorbij. De schoonheidsontroering die veel Nederlanders ervoeren bij het zien van rokende fabrieksschoorstenen, veranderde in associaties met kooldioxide, zware metalen en kanker. Profeten als Paul en Anne Ehrlich, Barry Commoner en Roel van Duyn hadden al eerder gewaarschuwd dat het de verkeerde kant op ging. Maar ditmaal kwam de boodschap als het ware uit de hel zelf. Het maakte indruk dat een industrieel als Peccei zei: `het kapitalisme zal fundamenteel moeten veranderen. De vrijheid om winst na te jagen zal aan banden moeten worden gelegd. Het winstprincipe doodt zichzelf op de duur.' Die wens of voorspelling is, zoals vele in Grenzen aan de groei, niet uitgekomen. Het kapitalisme heerst op aarde, de groei gaat gewoon exponentiëeel door.

Is dat rapport dan alleen maar alarmistisch geweest? Net als in 1972 hangt het oordeel over de Club van Rome mischien meer af van temperament en politieke opvatting, dan van inzicht. Die schaarste aan grondstoffen, bijvoorbeeld. Er is goud, zilver en lood in overvloed, we gaan onder in de aardolie. Maar dat is minder te danken aan inzicht, dan aan een paar economische crises en het feit dat de meerderheid van de wereldbevolking in armoede is blijven leven. Maar als nu bijvoorbeeld India evenveel staal per hoofd gaat poduceren als de VS, hoeveel cokes zijn daarvoor dan nodig?

En wat gebeurt er als een derde van alle Chinese en Afrikaanse gezinnen een auto krijgt, zoals bij ons? Het juiste antwoord is: maak je geen zorgen, want dat gebeurt nooit. Daardoor valt het ook zo reuze mee met de vervuiling, als we even niet letten op de onomkeerbare lange termijn-effecten van een paar smerige stofjes. Verminderde vruchtbaarheid is, collectief gezien, ook niet dramatisch want de paus heeft kortgeleden de zesmiljardste wereldburger verwelkomd. Over dertig jaar zijn het er twaalf miljard en die zijn goed te voeden. Tot nu toe is dat immers ook gelukt, als men tenminste geen acht slaat op enkele tientallen miljoenen slachtoffers van ondervoeding en van de strijd om land en water. Maar resultaten uit het verleden zijn geen garantie voor de toekomst. Laat ik het maar openlijk zeggen: eens gaat het mis, dat staat vast. Alleen weten we niet wanneer, en of het door ozon dan wel overbevolking zal gebeuren, of door een compleet nieuw mankement. De Club van Rome krijgt ooit gelijk. Hij bestaat niet vergeefs, want er is al een mentaliteitsverandering tot stand gebracht. Men geniet niet meer onbezorgd van de welvaart, men geniet nu bezorgd.

De Club van Rome: Grenzen aan de Groei. Het Spectrum, uitverkocht.