Contouren van een ongrijpbare wajang-figuur

Soekarno was de grondlegger van de Indonesische onafhankelijkheid en werd daarom een Aziatische vader des vaderlands. Gisteren verscheen het eerste deel van een nieuwe, omvangrijke biografie.

De golf van dekolonisaties na de Eerste en Tweede Wereldoorlog heeft niet alleen een reeks van onafhankelijke staten opgeleverd maar ook een serie `helden van de twintigste eeuw'. De selectie is steeds willekeurig, maar in Azië geldt die titel zeker voor Gandhi en Nehru (India), Ho Chi Minh (Vietnam) en Soekarno (Indonesië). Het zijn zonder uitzondering mannen – geen vrouwen – die in de strijd om onafhankelijkheid charismatische leiders bleken en aan het eind van hun leven en werken volgens een klassiek spraakgebruik de titel van `vader des vaderlands' kregen toegevoegd. De conjunctuur van hun nagedachtenis kent momenten van verering, maar ook van relativering en zelfs van ontluistering. In de onvermijdelijke terugblik bij gelegenheid van de eeuwwende duiken ze evenwel op in de heldengalerij.

Nederland werd bediend met Soekarno. Zijn handtekening staat, samen met die van de Sumatraan Mohammed Hatta, op de proclamatie van de Indonesische onafhankelijkheid van 17 augustus 1945; `his finest hour', al werd hij toen geteisterd door malaria. Hij was van de genoemde charismatische leiders de meest flamboyante. Hij fascineert door zijn tomeloze ijdelheid, door zijn theatrale talent, maar meer nog door zijn vermogen politieke trefwoorden te verzinnen die invloedrijk zijn geworden (zoals NASAKOM), en door de culturele synthese in zijn persoonlijkheid van Java, Islam, Balinese tradities en westers kolonialisme. Hij was daardoor ook een schitterende tegenspeler van de koloniale administratie, die Indië bestuurde in de geest van de handelscompagnie en met hun trots op de administratieve ordening en een indrukwekkende infrastructuur. Tegenover de rechtlijnige bestuurders werd Soekarno een ongrijpbare wajang-figuur.

Herenrijwiel

In het zojuist verschenen eerste deel van Lambert Giebels' Soekarno-biografie wordt de hoofdpersoon betiteld als een `Nederlandsch onderdaan' (oude spelling). Dat is een administratieve aanduiding voor het feit dat hij in Nederlands-Indië werd geboren (in 1901) en dat hij tot aan de soevereiniteitsoverdracht in 1949 in een koloniale terminologie onderdaan maar niet Nederlands staatsburger is gebleven, ook al had hij de onafhankelijkheid van de Republiek Indonesië zelf in 1945 uitgeroepen. Het is geen titel waarmee de hoofdpersoon zichzelf zou identificeren. Maar Giebels' biografie, althans het eerste deel dat 48 jaar van Soekarno's leven omvat, is dan ook in verscheidene opzichten een Nederlandse zienswijze: in de accenten van zijn betoog en in de keuze van zijn bronnen.

Deze Soekarno-studie is in zekere zin het vervolg op het boek over de Nederlandse minister-president Louis Beel, waarmee Lambert Giebels in 1995 zijn doctorstitel verwierf en een zekere bekendheid. De expert in het gemeenterecht Beel speelde in de beide politionele acties (1947 en 1948-1949) tegen de Republiek een hoofdrol; hij was in rechtlijnigheid en koloniaal legalisme de tegenspeler van de charismatische nationalist.

De biograaf van Beel is een biograaf van Soekarno geworden. Hij verdient alleen al waardering voor het feit dat hij zich aan zo'n biografie heeft gewaagd want in de Nederlandse geschiedschrijving is dat nog niet eerder voorgekomen; de boeken van Paul van 't Veer, Ernst Utrecht en Willem Oltmans waren actuele schetsen of herinneringen van een bewonderaar. Hier moet ook Jan Blokkers toneelstuk over Soekarno worden genoemd, omdat het een artistieke en hedendaagse interpretatie bood.

Giebels heeft de lacunes en politieke barricades in het Indonesische staatsarchief goed leren kennen. Dat heeft te maken met een strikte opvatting over staatsgeheim maar ook met de `baisse' in de officiële herinnering aan Soekarno in de regeringsjaren van zijn opvolger Soeharto. Wellicht is na de recente verkiezingsoverwinning van Soekarno's dochter Megawati het klimaat voor een Soekarno-studie al weer beter. Om toch zijn doel van een wetenschappelijke biografie te kunnen bereiken heeft hij zo veel mogelijk stukken in Nederland bijeengelezen en is hij al jaren aan de praat geraakt met tijdgenoten en nazaten van de Indonesische president; Nederlandse zowel als Indonesische. Soekarno verschijnt er in het spiegelbeeld van de Nederlandse koloniale administratie. Hij wordt ook belicht in de woorden van zijn omgeving.

Eén accent in dit eerste deel ligt op de Nederlandse erfenis in de vorming van Soekarno's persoonlijkheid en in zijn politieke optreden als Indonesisch nationalist. Wanneer Soekarno hij zich voor het eerst over een Indonesische onafhankelijkheid uitlaat, citeert hij de Franse intellectueel Ernest Renan en de austromarxist en theoreticus van het nationaliteitenrecht in Oostenrijk-Hongarije, Otto Bauer. Het is een Europees gedachtengoed dat hem tegemoet is gekomen in het Nederlandse onderwijs. Dat was, in zijn middelbaar en hoger niveau, voor betrekkelijk weinig Javanen weggelegd, maar Soekarno was door zijn laag-adellijke status en door de ambitie van zijn vader (Raden Sukemi Sosrodihardjo) een van de uitverkorenen. Door Giebels' Nederlandse bronnen en door het Nederlands accent in zijn onderzoek wordt de held van de Indonesische nationalisten een vertrouwde figuur. Zo kon Soekarno zich in zijn jongensjaren dankzij giften uit de familie een Fongers herenrijwiel veroorloven, wat in de periode na 1900 onder middelbare scholieren werd gezien als een bewijs van vermogen en sportiviteit. Om enig tegenwicht te bieden tegen dit neerlandocentrisme put Giebels zich uit in (niet altijd even geslaagde) pogingen Soekarno te plaatsen in een Javaanse traditie en vertelstructuur. Voortdurend wordt de lezer herinnerd aan de ambivalentie in het Javaanse denken denken, aan de Javaanse elementen in zijn wereldbeeld en aan de dramatische functie van het wajangspel. Het lijkt er soms op dat de biograaf zelf door de magie van het nachtelijke Indonesische theater is gevangen.

Lagere adel

In Soerabaja bezocht Soekarno, immers telg uit de lagere adel, de Hogere Burger School (HBS), het paradestuk van de modernisering van het Nederlandse onderwijs in de negentiende eeuw. In het programma was het aandeel van de talen betrekkelijk groot (Soekarno werd verondersteld Frans, Duits en Engels te leren) maar ook de wiskunde-vakken en natuurwetenschappen. De HBS in Soerabaja was in eisen en inrichting evenredig aan het Nederlandse schooltype. Ze was mede daardoor aantrekkelijk en in Soekarno's jaren uitgedijd. Bovendien was het door de Eerste Wereldoorlog voor de Europese bovenlaag niet mogelijk haar zonen – in mindere mate dochters – naar de HBS in Nederland te sturen.

Soekarno vormde met zijn Javaanse klasgenoten een kleine minderheid in een overweldigend blanke schoolbevolking. Dat bood hem de kans zich bij de Europese meisjes te onderscheiden. Die schoolperiode heeft hem achteraf het verwijt van rassendiscriminatie ingegeven. Volgens Giebels houdt dat verwijt geen stand. Hij citeerde voor het tegendeel de oud-leerlingen Annie Verschoor (later Annie Romein-Verschoor) en vader en zoon Van Mook maar ook Joop Soetjahjo, medeleerling van Soekarno. Hij getuigde dat de school in de koloniale samenleving een oase was van `Fraternité et Egalité'. De Franse woorden zijn niet toevallig gekozen. De HBS was immers in de Nederlandse verhoudingen het product van de geest van de eeuw; burgerlijke vooruitgang en liberale overtuiging.

Na zijn HBS-tijd koos Soekarno in 1921 voor een studie aan de Technische Hogeschool in Bandoeng. Het was de eerste instelling voor hoger onderwijs in Nederlands-Indië, noodzakelijk geworden door het betrekkelijke isolement van de Eerste Wereldoorlog. Het is op zichzelf wel weer typerend voor wat de socioloog Van Doorn `het koloniale project' van de Nederland in Indië heeft genoemd, dat nu juist de (civiele) techniek er het eerst op een universitair niveau werd onderwezen. Een medische hogeschool zou spoedig volgen. De invloed van de westerse cultuur werd in Indonesië eerst en vooral zichtbaar in landbouwkundig onderzoek, infrastructurele werken en tropische geneeskunde.

Soekarno studeerde in 1926 af op een ontwerp van een brug. Het is een merkwaardig verschijnsel in de Nederlandse geschiedenis van de jaren dertig, dat de belangrijke oppositiefiguren in de politieke arena een afgeronde studie in de civiele techniek met elkaar gemeen hadden: de sociaal-democraat ir. J.A.W. Albarda, die Troelstra zou opvolgen, de leider van de Nationaal-Socialistische Beweging ir. Anton Mussert en ir. Soekarno, die de Indonesische nationalisten zou aanvoeren. Bien étonnés de se trouver ensemble. Zij waren de constructeurs, die vervolgens een leidende gedachte ook in een politieke organisatie konden construeren en ten strijde trokken tegen een door juristen bepaalde bestuurlijke cultuur. Net als Albarda en Mussert ontwierp Soekarno bouwkundige constructies voor hij zich in de (nationalistische) politiek stortte.

Tovenaarsleerling

De leerling werd een tovenaarsleerling. In 1930 stond Soekarno voor het gerecht, de Landraad in Bandoeng, op beschuldiging van deelneming aan een vereniging `die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven'. Met deze criminele organisatie was de `Partai Nasional Indonesia' bedoeld, Soekarno's politieke organisatie, die zich ten opzichte van het koloniale regime op het aan Gandhi ontleende beginsel stelde van de non-coöperatie. De gouverneur-generaal De Graeff had hem met drie andere nationalisten laten aanklagen om door een juridische procedure dat non-coöperatieve principe buiten de wet te laten verklaren. Soekarno werd uiteindelijk veroordeeld tot vier jaar gevangenisstraf, na een beroemd geworden pleitrede `Indonesië klaagt aan!'

Giebels citeert uitvoerig uit dit proces; de Nederlandse archieven zijn uitputtend. Hij grijpt bovendien de kans om de beschuldiging van lidmaatschap van een criminele organisatie uit te breiden met actuele voorbeelden. In 1997, toen hij aan zijn boek werkte, was dat de Centrumpartij '86 en een groep van demonstranten tijdens de topconferentie van de Europese Unie in Amsterdam. Had hij zijn pen dit jaar neergelegd, dan had Giebels gelegenheid gehad om te reflecteren over het feit dat ook de andere strijder tegen het Nederlands kolonialisme, de Surinamer Desi Bouterse, van lidmaatschap van een criminele organisatie is beschuldigd; een drugsbende.

De biografische kwaliteit van het boek komt vooral tot uiting in de passages en hoofdstukken waarin Soekarno's persoonlijke leven wordt geschetst; waarin Giebels in staat is geweest uit vooral secundaire bronnen een persoonlijk verhaal te construeren. De rest van het nu al omvangrijke eerste deel is decor wijdlopig; de geschiedenisles van het opkomend Indonesisch nationalisme en van de grote conflicten met het Nederlandse koloniale regime in de jaren dertig, de Japanse bezetting en de directe onafhankelijkheidsstrijd in de jaren veertig. Giebels had het nodig om zijn held een plaats te geven in de dekolonisatie en zijn motieven te belichten. Maar de uitleg is uitvoerig en soms nogal schools. En hij kan moeilijk afstand doen van het vele dat hij in zijn onderzoek heeft verzameld. Zijn studie is geen literaire prestatie, wel een heldere presentatie

Giebels schreef zijn biografie niet om nog eens een variant te formuleren van een verkiezingsleus van de VVD in 1948: `Soekarno, heeft U er ook genoeg van?'. Hij poogt recht te doen aan de hoofdfiguur en heeft dus ook aandacht voor zijn achteraf bezien zwakke momenten. In dat opzicht is hij rechtlijniger dan zijn buitenlandse voorgangers; zeker de Amerikaanse journaliste Cindy Adams maar ook de Duitse biograaf Dahm. De Nederlandse auteur gaat niet voorbij aan Soekarno's momenten van wanhoop, die achteraf moesten worden verdoezeld. In zijn gevangenschap in 1933 schreef hij een viertal `smeekbrieven' aan de justitiële autoriteiten, waarin hij een einde aankondigde van zijn non-coöperatief nationalisme. De vondst van deze – niet ondertekende – brieven heeft in de jaren tachtig in Indonesië aanleiding gegeven tot veel discussie. Giebels schaart zich met reden onder diegenen, die van de authenticiteit overtuigd zijn.

Cruciaal voor een beoordeling van Soekarno is zijn houding tijdens de Japanse bezetting. Giebels kiest voor een zakelijke benadering. De non-coöperatieve nationalist werd, bevrijd uit zijn internering, een coöperatieve politicus, die gebruik maakte van de hem geboden gelegenheid om een zekere zelfstandigheid van Indonesië vorm te geven onder Japans toezicht. Maar het was niet louter opportunisme; de biograaf ontwaarde in Soekarno's pro-Japanse houding ook een zekere affectie. Uiteindelijk leidde deze samenwerking, twee dagen na de Japanse capitulatie op 15 augustus 1945, zelfs tot de onafhankelijkheid. De schaduwzijde daarin was Soekarno's medewerking aan de werving van Javaanse dwangarbeiders (romusha's), van wie velen er onder lamentabele omstandigheden buiten en binnen Java de dood vonden. De biograaf noemt op basis van buitenlandse studies hun aantal kleiner dan lange tijd is aangenomen maar loopt niet om dit bloedige gedeelte van Soekarno's coöperatie heen.

Giebels is dus gereserveerder dan L. de Jong, die in zijn grote werk Het Koninkrijk schreef dat hij zich de luxe van twee normenstelsels niet kon veroorloven en dus Soekarno op analoge wijze van collaboratie met het Japanse regime beschuldigde als sommige Nederlanders tijdens de Duitse bezetting. Waarna diezelfde De Jong vervolgens de gelegenheid grijpt om een hard oordeel te vellen over het onbegrip in Nederland ten opzichte van de onafhankelijkheidsstrijd van Indonesië. In Giebels' visie is er geen sprake van uitersten, maar ook hij kan zich vinden in de houding van de Britse bevelhebbers, die na hun invasie op Java een Republiek van Soekarno aantroffen en er uit eigenbelang en pragmatisme de voorkeur aan gaven met hem samen te werken in het handhaven van de orde. Expliciet en impliciet verwijt hij de Nederlandse regering en de Nederlandse publieke opinie van 1945 daarvoor geen begrip te hebben opgebracht.

Noodlottigheid

De biograaf heeft, ondanks een fraai Nietzsche-citaat, misschien toch te weinig gevoel gehad voor de onvermijdelijkheid en noodlottigheid van de botsing over de Indonesische onafhankelijkheid. Om één voorbeeld te noemen: in het half jaar na de bevrijding was het voor een openbare mening in Nederland – en dus voor zijn regering – eenvoudigweg onmogelijk om voorbij te zien aan Soekarno's coöperatie met de Japanse bezetter en aan de lotgevallen van Nederlanders in en buiten de interneringskampen.

Het is wijsheid achteraf om te beweren dat in augustus 1945 de onafhankelijkheid van Indonesië kon worden erkend. Het goede argument daarvoor is een zorgvuldige weging van de motieven en omstandigheden van Soekarno's samenwerking. Het slechte is een veronachtzaming van de problematiek van wat we sinds kort (Indische) oorlogsgetroffenen plegen te noemen. Nederland had bijna vijf jaar nodig om zich neer te leggen bij de naoorlogse werkelijkheid van Indonesiës onafhankelijkheid (en nog eens twaalf jaar blessure-tijd inzake Nieuw-Guinea). In het licht van de Europese dekolonisatieconflicten is dat niet eens zo'n uitzonderlijk lange periode.

Deel twee van de Soekarno-biografie verschijnt in 2001.

Lambert Giebels: Soekarno, Nederlandsch onderdaan. Biografie 1901-1950. Bert Bakker,

520 blz. ƒ69,90 (geb.), ƒ49,90 (pbk)