Baie dankie mineer Komry!

Het Afrikaans is een donkerbruin getint patois, een moerstaal als geen ander. De literatuur – en zeker de poëzie – is al vijftig jaar omgeven door een oorverdovende stilte waaraan nu in één klap een eind is gekomen met de grootste bloemlezing die er over deze poëzie gemaakt is.

Mag je een keur aan gedichten als een verhaal lezen, als een werk waarvan het geheel meer voorstelt dan de som der delen? Hoe omvangrijker de bloemlezing, des te prangender dringt de vraag zich op. Komrij's vuistdikke De Afrikaanse poëzie in 1000 en enige gedichten is chronologisch gerangschikt naar geboortedatum van de auteurs, alsof er een diepere bedoeling aan de opeenvolgende geschiedenis van dat duizendtal moet worden toegeschreven.

Maar welke? En waarom maakt het zoveel uit of je met het verstrijken van de tijd meeleest, vanaf de zeventiende eeuw in dit geval, of tegen de keer in, te beginnen in 1997? Een voorbeeld: ik herinner me één van de gedichten die ons op de Afrikaanse school in een voorstad van Kaapstad door de strot werden geduwd. Het is geen vastomlijnde herinnering meer, slechts een vage plek in het geheugen, een vermoeden van eenvoudige zinnen en onversneden Boerenleed. Met een schok van herkenning kom ik het na tweehonderd bladzijden tegen. Dat wil zeggen: na tweehonderd jaar in vogelvlucht bestreken, vanaf 1700. Veel hoofdzakelijk in het Nederlands geschreven verzen zijn de revue gepasseerd en dit is dan het eerste volwassen Afrikaans, denk je opgelucht en een beetje meewarig – Jan Celliers' Dis al (`Meer niet') uit 1908. Ja, een Boer is bedroefd en berooid uit ballingschap naar huis gekeerd. Hij kijkt naar het veld, zíjn veld, en naar de lucht. Boven zwikt een vogel in eenzame vlucht (meer niet).

De tweede keer ga ik van achteren naar voren, want ik wil van die chronologie af, van het vertekenende historisch perspectief, En daar is hij weer, achthonderd pagina's en één pijnlijke van god verlaten eeuw terug in de tijd. Wij zien hem naast een graf in het gras. Er valt een traan (meer niet). Tweemaal dezelfde traan, en verdubbeld komt hij harder aan. Terugbladerend is het niet alleen de Boer die daar staat maar elke hedendaagse balling, ook ik, aan de rand van moeders graf:

Dis die blond,

dis die blou:

dis die veld,

dis die lug;

en 'n voël draai bowe in eensame vlug -

dis al.

Dis 'n balling gekom

oor die oseaan,

dis 'n graf in die gras,

dis 'n vallende traan -

dis al.

Trouw moet nog blijken en het probleem van de volgorde, van verzen die elkaar in de staart willen bijten, lost ondertussen vanzelf op. Bij een derde lezing is de pleuris uitgebroken. Anders dan ú straks beschik ik over een drukproef, een twaalf centimeter dikke stapel van meer dan vijfhonderd losse bladzijden. Witte vellen die van tafel glijden en door de kamer zeilen, bladen waar de hond naar hapt, bladen die `somaarso' een onverwachte plek opeisen, een stoel, een bank, de trap bezoeken. Het dwarrelt en sneeuwt tegen de kieren, het vertrek wordt bedolven onder papieren. Wij waden enkeldiep in het fluisterende, knisperende strooisel van een gedeelde Hollands-Afrikaanse herinnering. Na middernacht raap ik. En dan komt het: de dankbaarheid en de ondankbaarheid. Er is toch zoveel moois in De Afrikaanse poëzie. Moois waar een Nederlands publiek tot nog toe onwetend van is gebleven, of die het is onthouden. Waarom, o waarom heeft het zo lang moeten duren? – zanikt het door mijn kop.

`Dit is, op de rand van de eenentwintigste eeuw, de grootste bloemlezing die ooit uit de Afrikaanse poëzie werd gemaakt', stelt Komrij met verpletterende bescheidenheid vast in zijn woord vooraf. Hij heeft gelijk. Maar meer dan omvangrijk alleen, is publicatie van dit boek (dat gelijktijdig in Zuid-Afrika verschijnt) ook een daad van historische betekenis. Laten we er geen doekjes om winden. Boven de Moerdijk werd de Afrikaanse dichtkunst een halve eeuw of meer omgeven door een oorverdovende stilte. Een enkele Nederlander, staat me nog bij, citeerde in de jaren zestig weleens `Die liggies van Amsterdam' of kon een strofe van `Sarie Marais' opzeggen – een naam die vrijwel zonder uitzondering werd uitgesproken alsof het rijmde met `Parijs' (iets wat bij Afrikaanssprekenden onbedwingbare lachlust opwekt) en niet met `Calais'. Er waren sommigen, van een uitstervende generatie, die nog ongeveer wisten wat Totius en Langenhoven betekenden. En natuurlijk: Elisabeth Eybers en Breyten Breytenbach hadden intussen enige indruk gemaakt. Eybers werd grosso modo bij Hollandse dichters ingelijfd, waarbij men haar Afrikaans als een aardig curiosum op de koop toe nam. Breytenbach werd grotendeels bij tegenstanders van de Apartheid ingelijfd, waarbij men zijn dichterschap als een aardig curiosum op de koop toe nam.

Het gekke is: die indruk was tot voor kort ook Komrij toegedaan. `Voor mij bestond er geen Zuid-Afrikaanse literatuur,' schreef hij minder dan twee jaar geleden, (NRC Handelblad 12.2.98), enigszins tot mijn verbazing. `Een naam hoorde je wel eens, en misschien nog een naam, maar een beeld wilde er niet ontstaan.' De literatuur van de Eskimo's en de Paparapaya's was hem meer vertrouwd, en dat kwam door het gebrek aan aanbod in het Afrikaans, meende hij. Dat gebrek is nu ruimschoots ongedaan gemaakt. Zó ruimschoots dat het je duizelt. Zelden zal zich een – naar eigen bekentenis – betrekkelijke buitenstaander in korte tijd zo grondig en met zoveel empathie het Afrikaanse taalgoed vertrouwd hebben gemaakt. Zelden ook, zal een bloemlezer in de gelegenheid zijn geweest een zo grote schat aan het eigen taalgebied toe te voegen. Want het vlies dat Nederlands en Afrikaans scheidt is transparant, het cultuurverschil even doorzichtig als hardvochtig. `Aan het nu kunnen we iets doen, aan de toekomst iets minder, en aan het verleden helemaal niets', schrijft Komrij ter inleiding. Haal je de koekoek. De Afrikaanse poëzie levert overvloedig bewijs van het tegendeel. De bundel mag dan op een bloemlezing lijken, het is evenzeer een gebaar van verzet – verzet tegen Hollands geheugenverlies, verzet tegen een beeld uit het verleden. Ineens staan ze weer op de kaart: de vergeten dichters die ons aanzienlijk nader liggen dan die van de Inuit en de Paparapaya. Blanke, zwarte en bruine dichters, moet je daar geloof ik nog steeds aan toevoegen, grijsaards, jongelingen, vrouwen, herma's, homo's en coprofielen, zíj die bleven en zíj die vertrokken – uit een taal die wij in de steek hebben gelaten of die ons uit gemakzucht onverschillig liet.

De bloemlezer is zich als geen ander bewust van zijn instrument, van de macht die de som der delen hem in handen geeft. Hij heeft `iets van de roots van de Afrikaanse poëzie proberen weer te geven.' Een vermakelijk en een prachtig iets, te beginnen met de zeventiende eeuw. Het verversingsstation aan de Kaap werd in 1652 gesticht. In hetzelfde jaar beschreef J.J. Wissink een `Zee-togt ofte zee-ryze naar Cabo de Bona Esperanca'. Komrij opent er de bundel mee:

Ja! Wasser nog een Werld men

zowd'er henen varen

Als Voordeel en Proffyt daar in

verborgen lag.

Dat blykt aan deeze Togt, men doet vol Goede Hope

De Kaap van Goede Hoop, als zonder zorgen aan,

En sgoon daar duyzenden

van Mensgen-Eters lope:

Zy eten slegs malkaar, wy zyn gereed

tot slaan.

Profijt halen en desnoods een pak rammel uitdelen: dat hiermee de toon is gezet, zou teveel gezegd zijn, maar er wordt de volgende twee eeuwen wel opvallend veel doorgezaagd over inboorlingen – vaak in een soort Hollands dat al een vage schaduw van het latere Afrikaans draagt, als een snor op een dikke witte dame. Wat te denken van Meent Borcherds (1762-1832), een Friese emigrant die zich in Afrika bij wijze van spreken ineens op de maan bevindt, maar dan bevolkt door Hottentotten, `onzindlyk in hun aard' en `woelziek van gemoed'? Hij beklaagt zich over het gebrek aan overlevering:

Maar wie – wie geeft hier licht? daar

's lands geschiedenissen

Zich voordoen als een nacht,

van dikke duisternissen,

Stikdonker, zwart en diep – een nare

donkerheid!

Waar niets een enkele straal van licht, voor ons verspreidt.

De heerlijk politiek incorrecte Borcherds woont in hetzelfde gedicht daadwerkelijk een `maanfeest' bij: de `gomgom' bromt, de jongelingen en de maagden scharen zich in blijde rijen, `in de strikken van een woeste min verward'. `Wat is het menschdom,' verzucht de Friese poëet, `zonder deugd, en Godsdienst, Orde en Wet!!!'. Het is een ongerepte duisternis, een deugdeloosheid en een brommen van gomgoms waar ik mijn linkeroog voor zou geven om het met terugwerkende kracht bij te mogen wonen, maar misschien komt dat door het landschap in mijn achterhoofd. Een landschap waar – en dit heeft me verbaasd – van meet af aan de loftrompet over wordt afgestoken, juist óók in het Nederlands. Want dat is kennelijk de keerzijde van al die evidente naturellenangst, de nare donkerheid der mensgen-eters: natuurschoon in de overtreffende trap en een diep, ontroostbaar verlangen naar een plek in Afrika.

Gaandeweg trekt het Hollands haar nauwpassende wambuis uit en hult zich in een baadje (badjang). Want het Afrikaans is een donkerbruin gekruid patois, een moerstaal als geen ander, ontstaan in de keuken (kombuis), aan de knie van al die naamloos gebleven aia's die het leven van de achttiende- en negentiende-eeuwse Kaapse landadel veraangenaamden. De gegoede burger blijft zijn Hollands trouw, vooral waar het de mannen betreft. De rechtschapen schoolmeester Suasso de Lima noteert in 1830: `De klank der dierbre moederspraak, / Gaat nimmermeer verloren, / Hij is en blijft een vaste baak / Die immer kan bekoren.' Hij had beter `vaderspraak' kunnen schrijven, of `patriarchenspraak'. Het Diets klinkt de gewone Afrikaan vooral gebiedenderwijs in de oren, vanaf de kansel, de voorstoep of de lessenaar. Honderd jaar later spreekt Jan Smuts – Boerenheld, rebellengeneraal, de voornaamste Zuid-Afrikaanse staatsman vóór Nelson Mandela – naast Engels nog steeds liever Nederlands. Maar – little did they suspect – het Hollands zou wél verloren gaan, onder druk van de verengelsing en van het gemengde `volkstaaltje' dat onuitroeibaar bleek te zijn. En het nog altijd is.

Het papiamentu van Zuidelijk Afrika is ook eenvoudigweg beter toegesneden op het lokale bestaan, de krasse en welhaast sardonische toonzetting van het leven onder het Zuiderkruis. Getuige Pulvermachers onsterfelijke geworden gedicht `Ou Abel Rasmus', alweer een vers dat ons in de klas werd voorgeschoteld, zie ik, één waarbij mijn hartslag even stokt:

Ou Abel Rasmus had een vrouw

Oud maar tog zonder pleete;

En eendag word zij zomaar van

Een scherpejoen gebeete

Rasmus' vrouw gaat een zeker lot tegemoet, ondanks toediening van `Helmonts Kruije [...] kalk en kruit en bokkemis [mest] en uije'. Na afloop pakt de Oude pen en papier en bericht nuchter `aan zijn zoone':

Julle ma is doot – breng spijkers zaam,

Kom julle iemand teege

Zeg julle maa'tje zal begrave wort

Net op die klokslag neege.'

Ik lees het van een opgeraapt blad, klokslag half twee 's nachts, en besluit nooit meer over die schoolbanken te klagen – die hardgebekte haregatterige meester voor de klas (ook een Hollandse emigrant, maar dat zijn de ergste), roe op zijn rug of tik-tik-tik tegen de lessenaar terwijl buiten het stuifmeel uit de Afrikaanse bloesem stijgt en lauw geklater van de aangrenzende cricketvelden samen met de hitte door de tuimelramen waait, en ik stadig-aan in slaap sukkel (sukkel!) om te worden gewekt met een mep en de statige dreun van `onze groote patriot Langenhoven'. Niet meer over zeuren, want je hebt er toch mooi `Abel Rasmus' aan overgehouden. Pulvermacher schreef het gedicht in 1879, een kwart eeuw vóór Celliers' Meer niet, en alle humor en tragiek en het onverbiddelijke van het landschap is er al in vervat. En er komt nog zoveel meer, zoveel hartverscheurend schoons (baie dankie mineer Komry, dwars oor dié akker, maak ook in Holland ons dooies nou die lewendagges wakker).

De verleiding is groot om de klassiekers op te sommen. Onbegonnen werk: Eugène Marais' Winternag en zijn Nampti; Uys Krige's Lied van die fascistiese bomwerpers (hij vocht mee tegen Franco in het Spanje van 1937); N.P. Van Wyk Louws Die Bijteltjie; Oppermans Gebed om die gebeente. Ingrid Jonkers Toemaar die donker man (een wonderlijk slaapliedje, opgedragen aan haar dochtertje); Olga Kirsch's Alleen en Peter Blums bittere Aftelrympie. Of Pieter Snyders' doodsimpele Dit (1982):

Wens dit weg.

As dit nie help nie,

vloek dit weg.

Nog geen sukses?

Skiet dit dan weg.

As dit nog daar is:

maak jou oë toe.

Ogen open, ogen toe, Zuid-Afrika in een notendop. En dan nog Eybers' introversie (zonder takels of katrollen) en Breytenbachs uitbundigheid: het staat er allemaal in – de lelijkerds ook, de patriotten en de valsmunters van het Volksempfinden. De hele dartele en toch zo brisante en vaak getormenteerde ontwikkelingsgang van de Zuid-Afrikaanse ziel is in 1000 en enige gedichten na te pluizen.

Wat er aan ontbreekt? Ik mis Die wit sakdoek se punt (anoniem) en Totius' invloedrijke Vergewe en vergeet, maar een kniesoor die daar op let. Gerrit Komrij heeft een rudimentair soort hiërarchie aangebracht door van sommigen één werk, van anderen zes of tien op te nemen. Turven en tellen staat me niet aan en boekhouden laat zich met de poëzie gelukkig niet verenigen. In Zuid-Afrika zal het wel opvallen dat het Nederlands in de bloemlezing een ruime plaats is toegemeten (het laatste Nederlandse gedicht dateert uit 1935). En dat de rangschikking naar geboortedatum geen indruk geeft van de plaatselijk gecanoniseerde indeling naar stromingen. Het is een zegen. Niemand zit er mee verlegen. En nog iets: wie zijn net in Kaapse wateren uitgooit zal vreemde wezens vangen. Dat net is wijd. Komrij vist er een aantal zonderlingen mee op, dichters waar geen normaal mens van heeft gehoord, dominees die het ook niet konden laten, de stoutste jongetjes in de klas en een enkele schijt- of schetenminnaar:

O stront! veredel mijn gedachten,

Verfijn mijn geest en mijn verstand;

O stront! verdubbel mijne krachten,

Sterk mijn gemoed, bestuur mijn hand!

[...]

Stront wensch ik aan Hermaphrodieten,

Stront die een jonge meid verkracht,

Stront die bij meisjes bokken schieten,

Stront die niet houdt van 't schoon geslacht.

Zo gaat het nog vijfhonderd strofen door (waarvan er achttien zijn opgenomen) J.E. de Jongs' De lof der stront uit 1882. Er zou nog zoveel te zeggen zijn – over de dichters die Amsterdam tot onderwerp maken, over de opmerkelijke hoeveelheid verzen die gespletenheid belijden – maar ik laat ten slotte liever twee gedichten hiernaast in hun geheel afdrukken. Twee `kaalvoetverse' die mij telkens weer ontroeren en eigenlijk geen toelichting hoeven.

Ik heb me vaak afgevraagd waarom zoveel mannelijke schrijvers in het Afrikaans eerder versluieren dan verhelderen. De mythe wint het van de mens, krijg je bij hen soms het gevoel. De dames kan literair vluchtgedrag veel minder worden verweten. De Afrikaanse poëzie is rijk aan dichteressen en vanaf het begin, met Elisabeth Eybers, spreken zij op buitengewoon intieme, zinnelijke toon – rechtstreeks en lichamelijk. Ingrid Jonker stierf jong. In de jaren zestig koos ze een verdrinkingsdood, teleurgesteld in de liefde en ontgoocheld door het politieke trauma van haar land en haar volk – afgesneden van de toekomst, ergens in het verleden op de vlucht geslagen en in een cul-de-sac van de tegenwoordige tijd terecht gekomen. Antjie Krog mag gerust als haar opvolgster worden beschouwd, in de vorm (het sommerso-gedicht) en wat de emotionele lading betreft. Beiden omhelzen ons. Beiden vragen om omhelsd te worden. Meer niet. Dis al.

Gerrit Komrij: De Afrikaanse poëzie in 1000 en enige gedichten. Bert Bakker, 1179 blz. ƒ49,90

Bijgeleverd wordt een verklarende woordenlijst van 87 blz.