Alleen gestuurd vanuit den hoge

Het orgel is het goddelijkste onder de muziekinstrumenten. Niet alleen is het orgel groter dan alle andere en kan het geluidsvolume het opnemen tegen een heel orkest, het instrument zelf is ook mechanisch, muzikaal en monumentaal een kunststuk. Geen instrument is technisch ingewikkelder, geen instrument is expressief gevarieerder, geen instrument is uiterlijk indrukwekkender. Het orgel omsluit zijn bespeler en ontneemt het zicht op de organist, terwijl die juist als geen andere musicus in de weer is met zijn handen op verschillende klavieren en de vele registratieknoppen en met zijn voeten op de pedalen. Voor wie niet beter weet, lijkt het alsof het orgel zelf speelt, alleen gestuurd vanuit den hoge.

Zo superieur en sterk als het orgel is, zo menselijk en kwetsbaar is het ook. Iedere dertig tot veertig jaar behoeft het orgel renovatie, want dan is het er slecht aan toe en speelt het gemechaniseerde blaasorkest met zijn laatste krachten. Wisselingen in luchtvochtigheid en temperatuur eisen hun tol. Het hout van de windkanalen en -laden, die de pijpen van lucht voorzien, trektkrom. De tractuur, de verbinding tussen klaviertoetsen en pijpen, wordt na verloop van tijd aangetast. Balgen en ventielen begeven het. Door scheurtjes en kieren ontstaan druk- en capaciteitsverlies in de luchtaanvoer - de `orgelwind'. Orgelpijpen krijgen verschillende geluidssterktes of reageren tenslotte helemaal niet meer. Uiteindelijk, hoe machtig het orgel ook oogt en hoe kunstig het klinkt, wat het produceert is slechts wind.

Organologie

Toen de vader van Mozart in 1766 in Haarlem was om bij de drukker Joh. Enschede het eerste exemplaar van de Nederlandse vertaling van zijn vioolleerboek op te halen, ontmoette hij daar, in de schaduw van de Bavo, de organist van het toen al wereldberoemde Christian Müllerorgel. Händel, naast Bach, de beste organist ter wereld, bespeelde het Bavo-orgel in 1740 en kwam er tien jaar later opnieuw voor naar Haarlem. De jonge Mozart speelde een uur op het instrument, vader Mozart inspecteerde het binnenwerk en zag dat alle pijpen van tin waren: `want hout duurt niet lang in dit vochtige land.'

Ondanks nauwgezet en geregeld onderhoud door bouwer Christian Müller en later door zijn zoon Pieter Müller, was het Bavo-orgel na 39 jaar toe aan schoonmaak en reparatie. Daarna is het Haarlemse orgel in minder dan een eeuw door zeven orgelbouwers onderhouden en uitgebreid met een aantal registers. In 1865-'69 werd het orgel gemoderniseerd door Witte, in 1903-'05 nog een keer door Maarschalkerweerd en in 1959-'61 – na een jarenlange stilistische richtingenstrijd – gerestaureerd door de Deense firma Marcussen. Het orgel werd ontdaan van het bij de vroegere `moderniseringen' toegevoegde romantische karakter.

Al heeft vrijwel elk orgel een soortgelijke historie, toch is het een wonder dat er zoveel historische kerkorgels in ons land bewaard zijn gebleven. Het zijn er zo'n 2.500 en geen enkel ander land heeft zo'n hoge dichtheid. Dat constateert bestuursvoorzitter Krajenbrink van het Nederlands Instituut voor de orgelkunst. Sinds 1997 werkt het instituut aan een twaalfdelige encyclopedie Het historische orgel in Nederland die alle `historische' orgels documenteert met zorgvuldig gemaakte kleurenfoto's en beschrijvingen van dispositie en bouwhistorie en een opgave van literatuur over elk orgel. Naast de inventarisatie en documentatie, die ook zoveel mogelijk verdwenen en verloren gegane instrumenten omvat, verschaffen de losse artikelen in elk deel een samenhangende uitvoerige orgelhistorie, onder andere over orgelbouw, bouwstijlen, ornamentiek, technische ontwikkelingen, orgelspel, orgelmuziek en organologie, de orgelwetenschap.

Ongedierte

Wisselingen in de luchtvochtigheid en temperatuurverschillen zijn nog steeds een groot probleem voor het behoud van het hele orgelbezit, want tegenwoordig wordt in kerken vaker gestookt of – nog erger – worden ze 's zondagsmorgens opgewarmd met een heteluchtkanon. Mieke van Zanten, de auteur van het recente en hoogst interessante boek Orgelluiken, traditie en iconografie, beschrijft het probleem treffend in deel 3 van Het historische orgel in Nederland: `Kruipend en vliegend ongedierte waren de ongenode gasten die het orgel bevuilden, ontstemden en vernietigden. Vleermuizen en vogels vlogen vrij in en uit de altijd geopende kerkgebouwen en nestelden zich in de voor dat doel zo aantrekkelijke kas, zoals de ratten en muizen dat deden, die dan bovendien aan het houtwerk of het leer van de balgen en windkanalen vraten of pijpen omstootten. Vervuiling kwam ook vanuit de kerkruimte en van buiten, zoals kalk en gruis van de gewelven boven het instrument, stof van het begraven van de doden binnen het kerkgebouw en het stof zand en gruis dat door deuren en ramen naar binnen kwam.'

Al in de twaalfde eeuw beschermde men soms het orgel met een takelbare stofkap. Later monteerde men luiken, die konden worden beschilderd met bijbelse voorstellingen. Aanvankelijk waren de luiken van linnen. Deze `schilderijen' werden scharnierend aan elkaar gezet, zodat ze bij elkaar een veelluik vormden, bediend met touwen en katrollen. Omdat die veelal hoog hangende luiken vaak moeilijk zijn te zien, is het goed dat er in Van Zantens boek Orgelluiken zoveel van zijn afgebeeld, geopend en gesloten.

Frontpijpen

In een ander artikel in deel 3 van Het historische orgel in Nederland behandelt Arjen Looyenga de architecturale ontwikkeling van het Nederlandse orgelfront in de periode 1479-1725. Opvallend is de constatering dat er weinig of geen principiële verschillen zijn tussen `burgerlijke' en `religieuze' bouwvormen. Een Italiaans classicistisch gevelontwerp voor de kerk van Gesù in Rome (1570) komt bijna geheel terug in het Amsterdamse woonhuis Herengracht 388 (1655) en, met enige aanpassingen, in Van Campens `Hollands classicisme', dat spreekt uit zijn ontwerp voor het orgel in de Amsterdamse Nieuwe Kerk.

De beschilderde orgelluiken voegden daar nog religieuze voorstellingen aan toe. Zo bezien is het orgel een `Gesamtkunstwerk', waarbij architectuur, muziek en schilderkunst samen verwijzen naar het hogere.

Het historische orgel in Nederland verschaft een roerend beeld van het orgelleven in ons land. Sommige orgels maken zwerftochten, zoals het oudste hier beschreven instrument, een gothisch orgel met gedecoreerde pijpen van Peter en Cornelisz Gerrits (1479), afkomstig uit de Utrechtse Nicolaïkerk. In 1886 werd het door Maarschalkerweerd overgeplaatst naar het Rijksmuseum in Amsterdam, waarbij de balgen verdwenen. In 1956 werd de kas met de frontpijpen overgeplaatst naar de Koorkerk in Middelburg, die in de oorlog was gebombardeerd. Daar hangt nu het orgel als een lege huls, een museumstuk. De overige delen zijn opgeslagen in een rijksbunker.

Opmerkelijk is ook het orgel in het Friese Boksum: een twaalfde-eeuwse kerk met een dertiende-eeuws koor, verbouwd rond 1500 met een orgel uit 1675 van Jan Harmensz Kamp, dat twaalf keer onderhanden is genomen. Om het orgel hangt rijke donkerblauwe draperie, afgezet met goud. Het ziet eruit als zwaar velours, maar het is van hout, vaardig geschilderd in trompe l'oeil.

De encyclopedie Het historische orgel in Nederland is een kroon op de constante stroom van belangwekkende orgelpublicaties in ons land. Organisten zijn als weinig andere musici zó verbonden met het dagelijkse wel en wee van hun eigen instrument. Als ze elders spelen moeten ze eerst het instrument leren kennen, de eigenaardigheden van het orgel ontdekken, zich de speelaard van de klavieren eigen maken, de mogelijke registraties uitproberen, vaak samen met een assistent. Veel Nederlandse organisten beoefenen orgelarcheologie en zijn nijvere musicologen. Ze produceren niet alleen veel concerten en cd's, maar ook talloze gespecialiseerde publicaties.

De recente restauratie van het Hagerbeer-orgel (1643) in de Leidse Pieterskerk is uitvoerig gedocumenteerd in het boek Een Hollands stadsorgel in de Gouden Eeuw met bijdragen van verschillende auteurs. Stemming en intonatie van het Leidse orgel zijn teruggebracht naar de oorspronkelijke toestand. Sweelinck klinkt hier nu als nergens anders, maar het instrument is goeddeels ongeschikt voor achttiende-eeuwse en latere muziek en voor koorbegeleiding. Daarvoor is nu een Londens negentiende-eeuws orgel in de Pieterskerk geïnstalleerd.

Van Campen

De overweldigende rijkdom aan, ook uiterlijk zo fraaie, orgels in dit land werpt een bijzonder licht op wat wij altijd denken over het typisch Nederlandse sobere calvinisme, dat wars zou zijn van praal en overdaad. Bij reformatie en beeldenstorm mogen dan wel talloze schilderijen en beelden uit de Hollandse kerken zijn verdwenen, de pronkzucht en onderlinge concurrentie met uiterlijkheden was daarmee niet verbannen. Amsterdam, de hoofdstad van de wereldhandel in de Gouden Eeuw, installeerde boven de preekstoel in de Nieuwe Kerk het grootste klankbord ter wereld. In dezelfde kerk is de tombe van Michiel de Ruyter in het koor even prachtlustig als een barok rooms-katholiek altaar. De orgelkas werd in opdracht van het stadsbestuur ontworpen door Jacob van Campen, de architect van het naastgelegen Stadhuis (nu Koninklijk Paleis). Het beeldhouwwerk is van Quellinus, ook de schepper van het beeldhouwwerk aan het Stadhuis. Mieke van Zanten wijdt er in Orgelluiken een uitvoerig gedocumenteerd hoofdstuk aan.

De orgels in de Oude Kerk, de Nieuwe Kerk en de Westerkerk in Amsterdam waren even wereldse als religieuze pronkstukken. Andere steden en dorpen bleven niet achter. Alkmaar heeft in het Van Hagerbeer-orgel in de Laurenskerk een equivalent van het Amsterdamse Nieuwe Kerk-orgel: eveneens een kas van Van Campen. Ook in de reformatorische kerken verdiepen visuele schoonheid en muziek de religieuze beleving. De zingende gemeente en het jubelende orgel ondersteunen immers elkaar in het `looft al wat ademt den Here.'

Jan Jongepier (red.): Het historisch orgel in Nederland deel 3. Het Nationaal Instituut voor de orgelkunst Amsterdam i.s.m. Rijksdienst voor de Monumentenzorg Zeist, 384 blz. ƒ139,- per deel, uitsluitend bij intekening op het geheel.

Mieke M. van Zanten: Orgelluiken. Traditie en iconografie Nederlandse orgelmonografieën. Walburg Pers, 252 blz. ƒ79,50

Willem Jan Cevaal (red.): Een Hollands stadsorgel in de Gouden Eeuw. Het Van Hagerbeer-orgel in de Pieterskerk te Leiden. Walburg Pers, 320 blz. ƒ79,50

    • Kasper Jansen