Modern Haags stalinisme

De tijd is voorbij waarin ambtenaren de lakeien van de politiek waren, zegt hoogleraar bestuurskunde Paul Frissen. Zesde en laatste deel van een serie vraaggesprekken.

Wantrouwen kenmerkt de verhouding tussen politiek en bureaucratie vindt de Tilburgse hoogleraar bestuurskunde Paul Frissen. Neem de discussie over meer blauw op straat. Minister Korthals (Justitie) heeft voor de zomer gezegd dat hij in de toekomst de effectiviteit van de politie niet meer uitsluitend wil meten aan het aantal geüniformeerde agenten op straat. Meteen kreeg hij de Tweede Kamer over zich heen.

Onzin, vindt hoogleraar Frissen. ,, Meer blauw op straat is een absoluut non-issue. Het is volstrekte symboolpolitiek om de effectiviteit van de politie daaraan af te meten. Maar toch begint de Tweede Kamer daar steeds over, vanuit het idee dat er allemaal verkeerde dingen zouden gebeuren als je de politie gewoon haar gang laat gaan.''

De moeizame verhouding tussen ambtenarij en politiek is volgens Frissen bij alle grote kwesties van de laatste tien jaar - van de IRT-affaire tot het ontslag van A. Docters van Leeuwen als `super-PG' - steeds het achterliggende probleem. ,,En de boodschap van de politici aan de ambtenaren is daarbij altijd: mond dicht houden, u bent hier om onze lakei te zijn.'' Maar zo werkt dat niet meer in moderne organisaties, weet Frissen. De ambtenaar is net als andere burgers mondig geworden. ,,De tijd waarin wij elkaars lakeien waren, is echt voorbij.''

Frissen staat in het debat over bureaucratie en politiek duidelijk aan de kant van de ambtenaren. Hij noemt het openbaar bestuur in Nederland ,,heel open en van een hoog intellectueel niveau''. Over de politiek is hij aanzienlijk minder te spreken. ,,Wat er in het parlement gebeurt, krijgt steeds meer trekken van een hallucinatie. Het parlementaire bedrijf heeft vaak zo goed als niets te maken met de bestuurlijke werkelijkheid zoals ik die ken.'' In bestuurlijke processen is de politiek tegenwoordig een factor die gemanaged wordt, constateert hij. ,,Voor moderne bestuursmanagers is dat ook een functie-vereiste: politiek kunnen managen. Maar de politiek heeft de pretentie nog steeds de centrale as in het bestuurlijke proces te zijn.''

Volgens de Tilburgse hoogleraar bestuurskunde gaat het zo vaak mis omdat de politiek in de illusie leeft de maatschappij van bovenaf te kunnen sturen. Het primaat van de politiek is volgens hem echter een mythe, die bovendien achterhaald is. ,,Die mythe heeft zijn zeggingskracht verloren. Daarom wordt er ook zoveel over gepraat.'' Retorisch: ,,En het is toch ook goed dat de politiek het primaat niet meer heeft? Het was toch juist de bedoeling dat burgers geëmancipeerd en mondig zouden worden?''

Niettemin leidt de mythe van het politieke primaat nog altijd tot voortdurende cycli van planning en controle vanuit politiek Den Haag. `Modern stalinisme', noemt Frissen dat. Hij kan er legio voorbeelden van geven. ,,Kijk naar het onderwijsbeleid. Dat is al sinds decennia het domein van grootschalige operaties en stelselwijzigingen. Je houdt werkelijk niet voor mogelijk wat er allemaal op centraal niveau wordt geregeld.''

De onderwijsinstellingen zijn druk bezig al het beleid dat op hen afkomt te `neutraliseren', aldus bestuurskundige Frissen. ,,De instellingen bouwen prachtige façades op, om voor het ministerie net te doen alsof wordt uitgevoerd wat er is bedacht. Maar tegelijkertijd zie je al die scholen hun eigen praktijk ontwikkelen.''

Achter veel overheidscontroles ligt uiteindelijk een Kamervraag ten grondslag. Frissen geeft een voorbeeld: ,,In de nieuwe Bijstandswet krijgen gemeenten een veel grotere beleidsvrijheid om de bijstand zelf in te vullen, al naar gelang de lokale problematiek. Maar als gevolg van de Kamerbehandeling komt er een gigantisch informatiecircus op gang, omdat de Kamer wel, tot bijna op individueel niveau, wil weten wat er gebeurt.'' Volgens Frissen zou de Tweede Kamer dat helemaal niet moeten willen weten. ,,Het is net zoals bij een normaal bedrijf. Als je tot op de werkvloer wilt controleren wat er gebeurt, staat het bedrijf stil.''

Politici moeten in zijn visie een aantal randvoorwaarden voor het publieke domein scheppen, en meer ook niet. De politiek bepaalt het stelsel van checks and balances, zodat instellingen verantwoording moeten afleggen in het veld waarin ze werken. Frissen wijst erop dat veel instellingen daar al aan werken. De meeste ziekenhuizen hebben een actieve raad van toezicht. En de Informatie Beheergroep in Groningen geeft studenten die studiefinanciering ontvangen een eigen rol in de organisatie. Maar de instellingen zouden volgens hem geen verantwoording moeten afleggen aan de politiek zelf.

Hij stelt dat er meer nagedacht zou moeten worden over vormen van `maatschappelijke democratie'. Frissen: ,,We moeten het beroemde poldermodel nog veel verder uitbreiden. Het publieke domein is veel breder dan de staat.'' Verkoop het ziekenhuis aan de specialisten en geef de scholen aan de ouders, zo stelt Frissen voor. Bij elke sector moet je volgens hem bekijken wat voor die specifieke sector passende vormen van democratisering zijn. ,,Daar bestaat geen blauwdruk voor. Natuurlijk leidt dat tot een enorme bestuurlijke lappendeken. Maar de maatschappij ís ook een lappendeken.''

De maatschappij zal volgens Frissen steeds meer op het Internet gaan lijken: een netwerksamenleving, waarin autonome burgers zichzelf organiseren en daarbij niet op de staat en de politiek wachten. ,,Maar de staat is nog altijd georganiseerd volgens principes uit het tijdperk van de stoommachine'', verzucht hij. ,,Dertig jaar discussie over staatkundige vernieuwing heeft vrijwel niets opgeleverd. Misschien komt dat doordat staatkundige vernieuwing van de politiek een soort Von Münchhausen-gedrag vereist. De politiek moet zichzelf bij de haren uit het moeras trekken. Daar zijn mensen en instituties over het algemeen erg slecht in.''

(De eerste vijf delen in deze serie verschenen op 27 en 31 augustus en 4, 7 en 11 september)