Ministerie: fiat voor geldhandel

Ambtenaren van Zuid-Holland hebben het ministerie van Binnenlandse Zaken in de zomer van 1997 nog verzekerd dat de provincie `risicoloos' met geld handelde. Dit schrijft minister Peper (Binnenlandse Zaken) in antwoord op vragen uit de Tweede Kamer over de zogenoemde Ceteco-affaire.

Het ministerie was toen al een jaar op de hoogte van een `hoog niveau van in- en uitleningen' van de provincie. Dat was het departement gebleken uit de hoge stand van de korte schuld en de kortlopende tegoeden op de balans van eind '95 van de provincie, die in juli '96 naar Binnenlandse Zaken werd gestuurd. Ook het ministerie van Financiën, dat `de activiteiten van Zuid-Holland op de geldmarkt' had beoordeeld heeft Binnenlandse Zaken daarop attent gemaakt. Tijdens een regulier overleg tussen ambtenaren van Binnenlandse Zaken en de provincie in april '97 en in juni daarna werd de kwestie aan de orde gesteld. ,,Daarbij werd van de zijde van de provincie aan de vertegenwoordigers van het ministerie de verzekering gegeven dat er risicoloos werd gehandeld'', zo schrijft Peper aan de Kamer.

,,Eind april 1999 vernam het ministerie op ambtelijk niveau een serieus bericht dat de provincie Zuid-Holland aan particuliere bedrijven gelden zou uitlenen. Daarop is op 12 mei vanuit het ministerie bij de griffier van de provincie om opheldering gevraagd. Immers, het uitlenen aan bedrijven impliceert een navenant risico'', stelt Peper.

Mocht dat bericht juist zijn, zo meent de bewindsman, dan was dat in tegenspraak met eerdere garanties over risicoloos handelen. De griffier beloofde het departement de zaak uit te zoeken, maar op zaterdag 10 juli kwam het in de publiciteit, nog voordat de griffier had gerapporteerd.

De maandag daarop heeft Peper het provinciebestuur gemaand hem schriftelijk te informeren. Dat deed de provincie pas op 28 juli en pas toen werd uit de overzichten van de uitgezette gelden voor het eerst duidelijk ,,welke risico's waren verbonden aan de leningsactiviteiten,'' aldus Peper.

Uit die stukken bleek ook dat Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland op 24 oktober 1995 hadden besloten tot `intensivering van het kasbeheer', een besluit waarvan het ministerie ,,tot op de dag van ontvangst van het ambtsbericht onwetend is gehouden.''

De Tweede Kamer praat over twee weken met de minister over de kwestie. Dan moet Binnenlandse Zaken een in- en extern onderzoek naar de gang van zaken hebben afgerond en dan zal ook de commissie-Van Dijk haar onderzoek hebben afgerond.