Het ministerie van Amerikaanse Zaken (2)

In mijn vorige bijdrage vertelde ik reeds niet kapot te zijn van de nieuwe industriebrief (Ruimte voor Industriële Vernieuwing) van het ministerie van EZ. Maar laat me positief beginnen. Het innovatiebeleid van dat ministerie heeft het voorbije decennium een mooie ontwikkeling doorgemaakt. Het technology push-beleid, waarmee over de gehele wereld krek dezelfde sectoren en technologieën werden nagejaagd, werd afgezwakt. Er kwam meer ruimte voor clusterbeleid. Weliswaar vatte EZ dit vooral op als generieke stimulering van innovatieve samenwerking en minder als de versterking van de clusters waar dit land al sterk in is. Maar via strategische informatievoorziening zoals de Technologieradar en de Concurrentietoetsen werd het bedrijfsleven gestimuleerd na te denken over waar mogelijke kansen en uitdagingen liggen, aansluitend bij bestaande sterktes. Het technologiebeleid werd toepassingsgerichter, deels in de vorm van demonstratieprojecten waarbij ook de overheid als innovatieve vrager een stimulerende rol speelde. De niet-technische aspecten van innovatie kwamen (onder meer via de InnovatieCentra, tegenwoordig Syntens) prominenter op de agenda. En echt mededingingsbeleid zag het licht.

Moet ik mij zorgen maken dat al dit moois verdwijnt? Ik denk het niet, want ondanks alle gemopper over de deplorabele staat van Nederland, bevestigt de brief vooral de continuïteit. Het nieuwe zit hoogstens in marginale bijstellingen. Waarom dan zo'n industriebrief? Ja.., de Kamer zal daar wel om vragen. Misschien worden ministers afgerekend op hun publicaties.

Moet een ministeriële brief over innovatie per se innovatief zijn? Niet als het oude beleid goed was. Al blijft het natuurlijk grappig: een behoudende brief over de ontoereikende innovatiekracht van de rest van het land. Maar stel dat de buitenwereld verandert, dat er nieuwe uitdagingen zijn waaraan nog niet genoeg aandacht besteed wordt, dan is het natuurlijk een gemiste kans als zo'n mopperministerie dat niet voor het voetlicht brengt. Erger, men dreigt de bevolking, die om verlichting smeekt, op het verkeerde been te zetten.

Laten we daarom kijken wat mogelijk belangrijke issues zijn en wat EZ daarmee doet. Ik zie er vier. De eerste is de spannende interactie tussen moderne industrie en innovatieve diensten. Buiten wat algemene blabla over het belang van clusters zegt EZ daar niets over, tenzij dat het belang van de industrie onderschat dreigt te worden. Ik deel die laatste mening, maar EZ slaat meteen door naar het andere uiterste. Ondanks de ondertitel Agenda voor het industrie- en dienstenbeleid is dit een ouderwetse industriebrief zonder een zinnig woord over het belang van moderne diensten of over de gekke uitruil waarbij diensten industriële functies vervullen en industrieën door radicale uitbesteding soms gewone dienstenbedrijven worden.

Tweede punt: het vermeende tekort aan R&D (onderzoek en ontwikkeling) in Nederland. Zoals wellicht bekend deel ik die mening niet (al mag het natuurlijk altijd meer als iemand iets spannends weet). Ik heb dat in Het Kennisoffensief uitgebreid toegelicht en kan dat hier niet herhalen. Geïnteresseerden verwijs ik ook graag nog eens naar het mooie proefschrift Eendimensionale wetenschap (Creon, 1997) van Hendrik Snijders van de Adviesraad voor het Wetenschaps- en Technologiebeleid. EZ repareert dat veronderselde R&D-tekort sinds 1994 via de Wet Bevordering Speur- en Ontwikkelingswerk, een heel open fiscale regeling. EZ is daar heel content over: al ongeveer 14.000 bedrijven maken daarvan gebruik! Die regeling is evenwel zo open, dat ze niet veel meer is dan een iets moeilijker te verkrijgen belastingverlaging, maar ze helpt wel ons internationaal R&D-prestige opkrikken. Tot nu toe zijn vooral innovatieve belastingsadviseurs, die de boekhouding van bedrijven in de richting van R&D herschrijven en in ruil daarvoor gemiddeld 15 procent van de WBSO-opbrengst krijgen, daar rijker van geworden. Bij de eerste en enige evaluatie die van de regeling werd gemaakt (begin 1996 reeds), gaf meer dan tweederde van de gebruikers toe dat deze nauwelijks invloed had op hun feitelijke R&D. EZ gaat de regeling weer verder uitbreiden...

Derde issue: de niet-technische kanten van innovatie, gekoppeld aan het belang van opleidingen (leren leren!). EZ zegt daar de klassieke, obligate dingen over. Niets over spannende actuele ontwikkelingen en knelpunten.

Laatste issue: bevorderen van doorbraakinnovaties, erg belangrijk als je echt eens voorsprong wil nemen. Doorbraakinnovaties worden drie keer genoemd: bij mobiliteit en congestie; bij milieu; bij radicale productvernieuwing. De eerste keer wordt gemikt op het vernieuwingsvermogen van de bouw (!) en de transportmiddelenindustrie en het innovatieve aanbestedingsbeleid van de overheid (als puntje bij paaltje komt, is er meestal niet genoeg geld). De tweede keer wordt het milieubeleid in herinnering gebracht en de derde keer wordt gezegd dat Nederland daarbij niet goed presteert. Tja. Terwijl hier mede door de overheid gefaciliteerd ambitieus en innovatief clusterbeleid, waarbij verschillende actoren in een vroeg stadium hun ideeën en specificaties op elkaar afstemmen, een belangrijke rol kan spelen. Maar zelfs bij de Europese Kaderprogramma's, waarnaar deze brief slechts even verwijst, durft men dat niet meer aan. Ook daar geldt: zolang het niet uit Amerika komt, kan het niet goed zijn. En maar klagen over achterstand.