Draagkracht telt niet meer voor Paars

Het belastingplan dat het kabinet deze week presenteerde brengt belangrijke verbeteringen en een broodnodige vereenvoudiging met zich mee, vindt Flip de Kam. Maar van het principe belasting betalen naar draagkracht is in het nieuwe stelsel weinig meer over. Nederland plaatst zich met een unieke aanpak buiten de fiscale stelsels van andere landen.

De vroedmeesters Zalm en Vermeend hielden eergisteren hun plan voor een fundamentele belastinghervorming ten doop. De inkomstenbelasting wordt opgedeeld. Inkomsten uit vermogen worden straks belast tegen 30 procent. Inkomsten uit arbeid en onderneming, uitkeringen en de huurwaarde van de eigen woning blijven belast tegen het progressieve tarief. Daarbij gaan de tariefpercentages van de twee zwaarst belaste schijven fors omlaag. Niets voor niets. Vaderlandse belastingbetalers moeten van de weeromstuit rekenen op verhoging van btw en milieubelastingen. Ook verliezen zij een aantal vaak gekoesterde aftrekposten. Het kabinet past bij. Per saldo is vijf miljard gulden smeergeld voor lastenverlichting beschikbaar om de operatie in het begin van de volgende eeuw tot een goed einde te brengen.

Vooropstaat dat de bewindslieden en het wetgevend apparaat op Financiën een weergaloos kunststuk hebben uitgehaald. Het is een ongehoorde prestatie om voor een zo ingrijpende operatie in luttele jaren voldoende politiek draagvlak te scheppen. De ambtenaren die het vuile werk moesten doen hebben zich twee jaar lang volledig weggecijferd. Het eindresultaat van alle inspanningen getuigt van pragmatische vindingrijkheid en kan in grote lijnen bogen op tamelijk brede instemming.

Het is jammer dat in de meeste reacties op het belastingplan de inkomensgevolgen voor bepaalde groepen centraal staan. In Nederland wonen kennelijk nog steeds hoofdzakelijk kruideniers. Vergeten wordt dat de gebruikte koopkrachtplaatjes grote beperkingen kennen. In werkelijkheid is de inkomensdynamiek veel groter dan de staatjes van Financiën suggereren. Bovendien wordt de bestaande inkomensverdeling stilzwijgend als de meest gewenste gezien, wanneer iedereen er even veel op vooruit moet gaan. Dat is raar, al was het alleen maar omdat de ongelijkheid van de inkomensverdeling de afgelopen twintig jaar flink is toegenomen. Het ijkpunt is daarmee een wandelende zandbank. Op gezag van het Centraal Planbureau meldt het kabinet dat huishoudens door de belastingherziening straks gemiddeld twee procent meer kunnen consumeren. De komende lastenverlichting met vijf miljard representeert slechts één procent van de particuliere consumptie. Er zijn dus omvangrijke `inverdieneffecten' van de operatie ingeboekt, waarvan onzeker is of en in welke mate zij zullen optreden.

De kruideniersmentaliteit, kenmerkend voor veel eerste reacties op de kabinetsplannen voor belastinghervorming, stemt droefgeestig. De afgelopen decennia hebben burgers, hun fiscale adviseurs en politici ons belastingstelsel gezamenlijk en in vereniging ernstig verziekt. Het draagkrachtbeginsel ligt op het kerkhof. Pogingen om te komen tot een meer robuust stelsel dat beter rekening houdt met de mate waarin burgers kunnen bijdragen aan de financiering van collectieve voorzieningen verdienen daarom sympathie.

De burger die het opbrengt over de limieten van zijn eigen knip heen te kijken, zoekt naar houvast om de aangekondigde plannen te kunnen beoordelen. Versterken zij onze fiscale concurrentiepositie in Europa? Dragen ze bij aan een hogere economische groei en leveren zij meer banen op? Vergroten de voorstellen de acceptatie van het belastingstelsel?

In 1990 is het toptarief van de inkomstenbelasting als onderdeel van de Oort-operatie verlaagd van 72 tot 60 procent. Het kabinet wil daar nog acht punten afhalen, zodat niemand over de laatstverdiende gulden meer dan 52 cent aan de fiscus hoeft te betalen. Dat de sociaal-democraten – zij het morrend – ooit zouden instemmen met een verlaging van het toptarief met twintig punten binnen één decennium zal in de jaren zeventig en tachtig wel bijna niemand voor mogelijk hebben gehouden. Net als in 1990 wordt ook nu het argument gebruikt dat ontwikkelingen elders tot tariefverlaging dwingen. Anders dan vaak wordt beweerd, heeft Nederland in de Europese Unie echter niet langer het hoogste toptarief. Onze huidige 60 procent is vergelijkbaar met de piektarieven in België (66 procent), Frankrijk (61 procent) en Duitsland (56 procent). Alleen het Verenigd Koninkrijk (40 procent) zit een stuk lager. De collectieve voorzieningen in dat land zijn er naar. De aanpassing van ons hoogste tarief past evenwel in het stramien van recente stappen elders (Spanje) en de plannen van de oosterburen die in 2002 iets beneden de 50 procent denken uit te komen.

Tariefverlagingen worden vaak verdedigd omdat zij beweerdelijk goed zijn voor de economie. Het schadelijke effect van hoge tarieven op werklust en spaarzin is echter niet overtuigend aangetoond. Bovendien loopt een land met wat hogere tarieven niet leeg. Daarvoor is de mobiliteit van ondernemers en werknemers binnen de Europese Unie vooralsnog te gering, als gevolg van de grote taal- en cultuurverschillen. Tenslotte is van belang dat Nederlandse belastingbetalers grotendeels een sigaar uit eigen doos krijgen. Weliswaar gaan de tarieven voor de middengroepen en aan de top van de inkomenspiramide flink omlaag, maar doordat tegelijkertijd allerlei aftrekposten sneuvelen en het leven duurder wordt, nemen de werkelijk besteedbare inkomens in Nederland ten opzichte van die in het omringende buitenland slechts in bescheiden mate toe.

De in het vooruitzicht gestelde lastenverlichting komt overeen met ongeveer 0,6 procent van de waarde van het bruto binnenlands product. De timing van deze stimulans voor de particuliere bestedingen is nogal ongelukkig. Volgens de huidige vooruitzichten draait de economie in 2000 en 2001 voorspoedig.

Lastenverlichting kan beter worden uitgesteld tot magere jaren aanbreken. Krijgen de burgers binnenkort vijf miljard extra in hun portemonnee, dan wakkert dat immers de particuliere bestedingen aan. Ten tijde van een economische dip is dat effect zeer gewenst, in een tijd van bescheiden hoogconjunctuur ligt dan het gevaar van prijsinflatie op de loer, terwijl de Nederlandsche Bank niet langer aan de rem kan hangen. Uitsluitend de Europese Centrale Bank kan besluiten de korte rente op te schroeven om de bestedingen te dempen. Maar in Frankfurt hebben monetaire beleidsmakers te letten op ontwikkelingen in heel euroland, zodat een koopkrachtimpuls in de lage landen onder de huidige omstandigheden de prijzen gemakkelijk kan opstuwen.

Afgezien van de fiscale bestedingsimpuls wordt de inflatie toch al aangeblazen door de verhoging van de omzetbelasting van 17,5 tot 19 procent. Tot een stroom kooptoeristen die bij de buren gaan winkelen zal deze maatregel overigens niet snel leiden. Na de btw-verhoging houdt het Nederlandse tarief nog altijd het midden tussen dat in Duitsland (16 procent) en in België (21 procent).

Het Planbureau rekent voor dat de belastinghervorming vele tienduizenden extra banen kan opleveren. Dat komt vooral, doordat mensen die werken straks ruim 1500 gulden belastingvermindering ontvangen in de vorm van een arbeidsaftrek, terwijl uitkeringsontvangers die boot missen. Dankzij de arbeidsaftrek levert werken voor het minimumloon maandelijks netto ruim honderd gulden meer op dan een uitkering op minimumniveau. Laten we aannemen dat de economische modellen van het Planbureau correcte uitslagen voorspellen. Dan moet worden vastgesteld dat de in het vooruitzicht gestelde banenwinst vooral het gevolg is van grotere inkomensverschillen tussen minima mét en zonder baan. Minder dan tien jaar geleden was zo'n tweedeling onder de minima in de ogen van velen een volstrekt onverteerbare manier om de werkgelegenheid onder laaggeschoolden te bevorderen.

Dit onderdeel van de kabinetsvoorstellen bevestigt dat belastingwetten steeds vaker als instrument voor sociaal-economisch beleid worden gebruikt. De beoogde `vergroening' van het stelsel past naadloos in dit beeld. Veel rechtgeaarde fiscalisten gaat deze 'instrumentalisering' van de belastingheffing aan het hart.

De kabinetsplannen maken het leven voor belastingplichtigen in sommige opzichten eenvoudiger, doordat veel – vaak uiterst gekunstelde – belastingbesparende constructies niet langer lonend zijn. Voor zover fiscaal trapezewerk tot het verleden hoort, kan de overtuiging veld winnen dat de belastingdruk is verdeeld zoals door de wetgever werd beoogd. De acceptatie van de inkomstenbelasting is er ook mee gediend dat het bedrag dat mensen met een auto van de zaak bij hun inkomen moeten tellen beter wordt afgestemd op het aantal privé gereden kilometers. Andere onderdelen van de plannen betekenen een belangrijke vergroving van de heffing. Zo mogen werknemers maximaal 1.263 gulden als beroepskosten aftrekken, ook wanneer hun werkelijke, niet door de werkgever vergoede kosten veel hoger zijn.

De komende vermogensrendementsheffing vormt het belangrijkste voorbeeld van vergroving. Iedereen betaalt straks 30 procent belasting over een verondersteld rendement van vier procent op zijn vermogen. De werkelijke opbrengst (in de vorm van ontvangen rente, dividend en vermogenswinst) doet niet langer ter zake. Wie een miljoen heeft belegd en daarop drie procent maakt (30.000 gulden), moet toch met de fiscus afrekenen over een `fictief' rendement van 40.000 gulden. Wie een werkelijk rendement van 80.000 gulden realiseert, hoeft over slechts de helft daarvan (het fictieve rendement van vier procent) 30 procent te betalen. Dit is de doodsteek voor het idee dat de inkomstenbelasting naar draagkracht wordt geheven. De bewindslieden van Financiën noemen de ingreep onvermijdelijk. Nederland plaatst zich met deze unieke aanpak echter buiten de fiscale stelsels van andere landen. Invoering van een belasting op gerealiseerde vermogenswinsten had meer voor de hand gelegen. De vermogensrendementsheffing kan zich als een boemerang tegen de fiscus keren en zo juist een impuls geven aan de kapitaalvlucht van particulieren naar elders.

In een aantal opzichten brengt het beoogde stelsel belangrijke verbeteringen en broodnodige vereenvoudiging. Het kabinet neemt echter definitief afscheid van de draagkrachtgedachte, door de invoering van de vermogensrendementsheffing en de nieuwe tariefstructuur. Velen zullen dat een onverdraaglijke gedachte vinden.

Flip de Kam is als hoogleraar verbonden aan de vakgroep Algemene Economie van de Rijksuniversiteit Groningen en columnist van deze krant.