De liberale leegte

Sinds gisteren is het vertrek van Frits Bolkestein uit de nationale politiek definitief. Er is voor hem geen weg meer terug, nu het Europees Parlement heeft ingestemd met de benoeming van hem en nog 19 anderen tot Europees Commissaris. Tot nostalgische overpeinzingen zal het niet meer leiden. Bolkestein was eigenlijk al weg toen hij vorig jaar zomer na de kabinetsformatie terugtrad als fractievoorzitter van de VVD. Nederland is dus al gewend aan politiek zonder Bolkestein. En inderdaad, als het gaat om het politieke discours, of althans de pogingen daartoe, is het nóg rustiger geworden.

Bolkestein zelf is trouwens de laatste die daar mee zal zitten. Zijn naam is synoniem voor leven in de brouwerij, maar persoonlijk vindt hij politieke opwinding maar flauwekul. ,,Hoe saaier de politiek, des te gelukkiger het land'', schreef Bolkestein reeds jaren geleden toen hij net met zijn opmars was begonnen. Een half jaar geleden herhaalde hij in een column in de Volkskrant deze stelling. ,,De saaiheid van onze politiek is dus voor een groot deel onvermijdelijk en in veel opzichten ook een deugd. De meningsverschillen tussen de verschillende politieke partijen hier zijn wezenlijk, maar het gaat bij ons niet om een verbeten strijd tussen democratie en dictatuur. Over veel belangrijke zaken bestaat een hoge mate van overeenstemming.''

Bolkestein heeft natuurlijk gelijk. Politieke meningsverschillen in Nederland – als ze er al zijn – hebben een hoog cosmetisch gehalte. Op de flanken zijn nog wel principiële stellingnames te bespeuren, maar als het gaat om de main stream dan zijn de partijen meer en meer onderling inwisselbaar. Dat heeft onherroepelijk zijn weerslag op het debat. De ontvangst deze week van de grootscheepse Paarse belastingherziening heeft het nog eens bewezen. Het waren geen Kamerleden van grote partijen die de politieke vraag over het rechtvaardigheidsprincipe opwierpen, maar aan universiteiten verbonden fiscalisten.

Toch marginaliseert Bolkestein zijn eigen rol als hij de saaiheid van de Nederlandse politiek bejubelt. Zijn politieke carrière in Den Haag was een persoonlijke missie. Het was zìjn strijd tegen de jaren zestig en zeventig waar het politieke debat werd beheerst door de ,,radicale chic'' zoals hij het deze zomer in een interview met het dagblad Trouw uitdrukte. Bolkestein had kortom wel degelijk een doel. ,,Nederland was het contact met de werkelijkheid kwijtgeraakt. Dat contact is hersteld. Dat is niet zozeer mijn verdienste, hoewel ik er aan heb bijgedragen'', zei hij in hetzelfde vraaggesprek met Trouw.

Bolkestein was haast dogmatisch in zijn strijd tegen de dogmatiek. Het maakte hem herkenbaar en plaatsbaar en en passant profiteerde zijn partij de VVD er ook nog van. Maar hoe moet het nu verder met die partij zonder Bolkestein? Wie wakkert het liberale vuur nog aan, nu de oude leider zich in Brussel moet verdiepen in dossiers over het functioneren van de interne markt? Maar belangrijker dan de vraag wie het moet gaan doen, is het antwoord op de vraag wat dan wel de boodschap moet zijn. Anders gezegd: hoe ziet het liberale avondland er uit?

Afgelopen zaterdag deed Bolkesteins opvolger Hans Dijkstal hiertoe een poging in de Volkskrant. `Vrije burger is ook een verantwoordelijke burger', stond er boven het door hem geschreven artikel. Hij had veel zinnen nodig om niets te zeggen. Pijnlijker dan met deze bijdrage kan de liberale leegte haast niet worden geïllustreerd. Kort samengevat (dat kan in dit geval heel gemakkelijk) komt Dijkstals betoog op het volgende neer: Een samenleving is gebaat bij verantwoordelijke burgers die al het mogelijke doen het beste uit zichzelf te halen en hun omgeving stimuleren hetzelfde te doen. De overheid komt pas in actie wanneer het voor mensen zelf onmogelijk is zelfredzaam te zijn.

Dijkstal zelf noemt dit `de moraal' van zijn verhaal, maar veel meer is het een vreselijke open deur. De terugtredende overheid is nauwelijks meer een doel, maar een feit. Bijna alle problemen die zich de afgelopen jaren in Den Haag hebben voorgedaan zijn terug te voeren op de onduidelijkheid over de verantwoordelijkheid, ofwel een teveel aan zelfredzaamheid van personen of instanties. Dijkstal heeft als minister van Binnenlandse Zaken vier jaar lang geen antwoord kunnen geven op de toch legitieme vraag uit de Tweede Kamer over het aantal politie-agenten in Nederland. Het politie-apparaat was dermate gedecentraliseerd, zelfredzaam geworden, dat de eerstverantwoordelijke minister er geen zicht meer op had. Zo zijn er legio voorbeelden te geven van een overheid die in naam nog wel aanwezig is, maar voor het overige de greep op het geheel behoorlijk aan het kwijtraken is.

Deze vorm van Verelendung kan vanzelfsprekend als het liberale ideaal worden beschouwd, maar dat lijkt toch een te cynische benadering. Bovendien, als politici geassocieerd kunnen worden met de overheid, moeten zij ook aangesproken kunnen worden op het functioneren van diezelfde overheid. Op dat punt laat Dijkstal het in zijn verhaal volledig afweten. ,,Als de samenleving niet maakbaar is kan de overheid niet voor alles aanspreekbaar zijn. Politieke pretenties moeten daarbij aansluiten'', schrijft Dijkstal. Maar dat is momenteel helemaal niet het probleem. Het debat gaat niet om de mate van individuele dan wel collectieve verantwoordelijkheid. Het gaat erom dat in het (resterende) collectieve deel sprake is van een toenemend bestuurlijk vacuüm, met als gevolg zoekgeraakte verantwoordelijkheden. Dat vraagstuk los je niet op door mensen meer eigen verantwoordelijkheid te geven.

Er zal altijd iets van een overheid blijven bestaan. Het besturen van die overheid is in een parlementaire democratie het werkterrein van een politieke partij en zodoende ook van de VVD. Maar die blijft onder Dijkstal het antwoord schuldig. Dat is geen liberalisme, maar nihilisme.