Baumeister op zoek naar de oerkracht

Toen de nazi's hem in 1941 verboden zijn `ontaarde' kunst te vervaardigen laat staan te exposeren, brak voor Willi Baumeister (1889-1955) een periode aan van filosoferen, theoretiseren, experimenteren ook. Dit alles rondom de noodzaak van de abstracte beeldende kunst, die hij beschouwde als een verduidelijking van een achter alle zichtbare verschijnselen verborgen blijvende en alom tegenwoordigende werkelijkheid. Zoiets als de overal geldende oerbeelden van Jung.

Het was geen nieuwe gedachte, sinds Plato de mens beschreef als een zich tussen schaduwbeelden van het ongekende zoekend wezen en sinds kunstenaars als Malewitsj en Kandinsky zich hadden afgevraagd wat een en ander voor hun werk moest betekenen. De laatste legde zijn gedachten hierover vast in het geschrift `Über das Geistige in der Kunst'. Willi Baumeister ging daarop door in zijn Das Unbekannte in der Kunst, waarin de sturende gedachten achter het abstracte voor de schilder en diens beschouwer worden geconcretiseerd. Het is een geschrift van ongeveer 150 pagina's, genoeg voor ongeveer twee jaar studie voor de kunsthistoricus Helen Westgeest alvorens tot haar visie op Baumeister te komen. Ze legde die visie vast in een catalogus bij een door haar verzorgde en mooi opgehangen expositie in het Cobramuseum in Amstelveen.

`Willi Baumeister en het Universele Onbekende in de kunst' heet de tentoonstelling waar enkele tientallen van zijn schilderijen worden verbonden met citaten uit de achterliggende filosofie.

Baumeister werkte in het begin, zo omstreeks 1920, onder invloed van onder anderen Léger in een constructivistische stijl, dikwijls verweven met menselijke figuren. Hij paste die methodiek ook toe in typografisch werk en textielontwerpen. Belangrijk uit die periode zijn ook zijn muurschilderingen waarin hij experimenteerde met een plastisch samengaan van reliëfs en schilderingen, van materialen en kunsten in één organisch geheel.

Baumeister onderzocht de mogelijkheden van contrasterende materialen en structuren, mengde zand en cement met olieverf, schilderde op karton dat weer op linnen werd bevestigd. Hij zocht toen al naar door de kunstenaar gestuurde maar toch natuurlijke processen. Aan het einde van de jaren dertig was hij van de figuratie overgegaan naar organische vormen, symbolen, zoekend naar lijnen en vlakken. Hij putte inspiratie uit bijvoorbeeld prehistorische uitingen in Europa en Azië, waarvan kenmerken bewaard bleven in recente maskers, schilden en versieringen.

Het idee dat achter al deze zo verschillende en ver van elkaar verwijderde kunstpogingen een gemeenschappelijke leidende kracht verborgen zou kunnen zijn, begon toen bij hem te groeien. Het was voor de nazi's verontrustend genoeg om zijn werk al in 1933 als `entartet' te beschouwen zonder hem toen het werken geheel te verbieden.

Hij was in die jaren niet alleen in zijn zoeken en tasten. Eveneens `ontaarde' kunstenaars als Adolf Hoelzel en Oskar Schlemmer, die ook beeldhouwer was, waren meedenkende kunstfilosofen. Hoelzel was bezig met onder meer abstracte kleurwerkingen en zocht samen met zijn vrienden, mede onder invloed van het Franse impressionisme en het kubisme, naar zoiets als een `absolute schilderkunst'.

Baumeister verwerkte het allemaal in zijn samenvattende boek, een kritische beschouwing over de principes van de abstracte kunst en een soort handleiding hoe die kunst te ondergaan. Het belang van zijn werk en gedachten werd in Duitsland onmiddellijk na de oorlog ingezien. Al in 1946 werd hij hoogleraar aan de academie in Stuttgart van waaruit hij een belangrijke invloed zou hebben op de ontwikkeling in Duitsland van de niet-figuratieve kunst.

De expositie in het Cobramuseum is geen overzicht, het is een gelaagde poging om wat hierboven beschreven werd duidelijk te maken, om het verband tussen zijn filosofie en zijn schilderijen aan te geven.

Zijn doeken worden bevolkt door tekens en signalen, die soms dicht in de buurt van Miró's beeldtaal komen. Ook bij Baumeister steeds van vorm wisselende amoeben en andere eencelligen, de oervormen van het leven. Soms ook zijn er varianten op het zwarte vierkant van Malewitsj, dat overigens niet altijd helemaal vierkant is, zeker bij Baumeister niet. Het ongekende achter alles is beweeglijk, bevindt zich in een eeuwige metamorfose. Baumeister zag de sporen ervan in de natuur, de windstructuren op het strand, de opbouw van koraalriffen, de systematische verwering van rotsgesteenten. De beeldend kunstenaar moet in zijn visie zelf deel uitmaken van deze processen, op weg naar een onbekend doel.

De tentoonstelling constateert verder dat dergelijke filosofieën ongeveer tegelijkertijd ook elders de beeldende kunst begeleidden en stuurden. In ons land was vlak na de oorlog bijvoorbeeld Willy Boer woordvoerder van in deze principes werkende kunstenaars als onder anderen Willem Kussem, Piet Ouberg, Dolf Breetveld, Eugène Brands zelfs en ook de onderschatte Jan Roëde. Hun aanvullende schilderijen op de expositie tonen aan dat er in ieder geval sprake was van een grenzen overspannende gemeenschappelijke mentaliteit.

Tentoonstelling: Willi Baumeister en het universele onbekende in de kunst. Cobramuseum, Sandbergplein 1, Amstelveen. T/m 31/10. Di-zo 11-17u. Catalogus ƒ29,90.