Europese Commissie moet niet te veel willen

De koning is dood, leve de koning. De Europese Commissie trad in maart af maar voor een driewerf `Leve de nieuwe Commissie', die vandaag parlementaire goedkeuring kreeg is het nog te vroeg, vindt Kees Versteegh. Een eerste balans wijst uit dat Europa er nog steeds beter voor staat dan zijn bestuur.

Europa kan uitstekend zonder Europese Commissie, zo bleek de afgelopen maanden. Nadat de ongelukkige équipe van Jacques Santer in de nacht van 15 op 16 maart de handdoek in de ring gooide, en het Brusselse radarwerk stil kwam te liggen, floreerde het continent. Het Europese bedrijfsleven bruiste van expansie- en fusiedrift. De economie groeide. De discussie over een gezamenlijk defensiebeleid raakte in een stroomversnelling. En de euro deed na zijn lancering begin dit jaar, precies wat een monetaire boreling behoort te doen: direct na de geboorte afvallen om daarna te herstellen.

Vanaf vandaag is het echter uit met de ongecontroleerde pret. De nieuwe Europese Commissie van Romano Prodi kan aan de slag als ze in Straatsburg het vertrouwensvotum van het Europees Parlement krijgt. Een mooi moment voor beantwoording van de vraag of de maartse crisis, ongekend in de geschiedenis van de Unie, nog ergens goed voor is geweest. Dat was immers wat Euro-kenners als Laurens-Jan Brinkhorst en Max Kohnstamm in die dagen beweerden? ,,De huidige crisis is gewenst voor iedereen die meer democratie in Europa wezenlijk vindt'', schreef bijvoorbeeld Brinkhorst op 17 maart op deze pagina.

Hebben we een half jaar later inderdaad vooruitgang geboekt? Bijvoorbeeld in de vorm van een betere Europese Commissie? Of een beter Parlement? Een minder dominante positie van de regeringsleiders binnen de Unie? Meer democratie? Betere controle op de Europese bureaucratie? Helaas wijst een eerste balans uit dat Europa er nog steeds beter voor staat dan zijn bestuur.

Vanaf het moment dat Prodi de voorzittershamer in handen geduwd kreeg, heeft deze Italiaanse oud-premier zich krachtig gemanifesteerd. ,,Ik bouw hier aan een regering'', zei hij tijdens de formatie van zijn Commissie. Hij maakte de regeringsleiders duidelijk bij de formatie van zijn team een grote eigen inbreng te willen hebben.

Het resultaat was een Commissie die weliswaar qua personele bezetting sterker oogt dan de vorige, maar ook niet meer dan dat. Prodi kreeg, ondanks zijn geuite voornemen, tegen zijn zin diverse kandidaten van nationale regeringen opgedrongen zoals de Belg Philippe Busquin en de Spaanse Loyola de Palacio. Dat nationale regeringen binnen de EU nog steeds flink hun partijtje meeblazen, bleek ook na de zeer kritische hoorzitting met Busquin: een aanmerkelijk aantal Europarlementariërs ging na een telefoontje van de Belgische premier Verhofstadt alsnog door de bocht en accepteerde Busquin.

Het probleem is dat de hoorzittingen van de afgelopen weken maar een beperkte indicatie bieden van de geboden kwaliteit. In 1994, tijdens de verhoren met de toen aantredende Commissie-leden, kregen vijf een onvoldoende, onder wie de Fin Erkki Liikanen en de Fransman Yves Thibault de Silguy. Nadien ontwikkelde dit tweetal zich juist tot gerespecteerde bestuurders. Anderen die destijds aan een onvoldoende waren ontsnapt, zoals de Française Edith Cresson, ontpopten zich juist tot tijdbom van de Commissie. Hetzelfde zou nu opnieuw met de Franse inbreng kunnen gebeuren. Pascal Lamy had om politieke redenen een gemakkelijk verhoor, maar in zijn verleden (als kabinetschef van oud-Commissievoorzitter Delors was hij onder meer betrokken bij een verlaging van een EU-boete voor een Frans bedrijf) ligt genoeg dubieus materiaal opgetast voor nader, gedegen journalistiek onderzoek.

Een groter risico nog dan de personele samenstelling van de nieuwe ploeg, is haar niet geringe ambitie. Had de ploeg van Santer nog het motto: niet meer dingen doen, maar dingen beter doen, daarvan is bij de nieuwe voorzitter weinig te merken. Zo merkte Prodi onlangs op: ,,Ik schaam me niet voor de suggestie dat, soms, het antwoord op de zorgen van een gedesillusioneerd publiek wel eens meer Europa zou kunnen luiden, in plaats van minder.''

Prodi verwart een beter Europees bestuur met een actiever bestuur. Zijn prioriteitenlijst is lang: corruptiebestrijding, werkloosheidsbestrijding, uitbreiding van de Unie (zelfs met een nieuw soort categorie leden), een gemeenschappelijk veiligheidsbeleid, het stabiliseren van de Balkan, een uitgebreide IGC-conferentie over interne hervormingen, het stimuleren van het gebruik van moderne informatietechnologie, het vervolmaken van de interne markt. Wat zijn bij zo'n lijst eigenlijk nog de posterioriteiten?

Ook tijdens de hoorzittingen bleek weinig animo voor zoiets als een Europese `kerntaken'-discussie. De Britse conservatief Chris Patten durfde als een der weinige examinandi te opperen dat de Commissie aan haar huidige taken al haar handen vol zou krijgen. Maar de andere Brit, Neil Kinnock, als vice-president verantwoordelijk voor het ,,efficiënter en transparanter'' maken van de Unie, noemde tijdens zijn hoorzitting geen enkele keer beperking van de ambities als een van de instrumenten daartoe.

Juist in dit opzicht blijkt van de crisis van 15 en 16 maart weinig te zijn geleerd. Veel van de problemen die tot de val van de Commissie-Santer leidden, hadden juist te maken met een onevenwichtigheid in de verhouding van taken en middelen. De wildgroei van externe bureaus die dat veroorzaakte en het gebrekkig administratief en financieel toezicht daarop waren het gevolg. De ambitieuze agenda van Prodi vormt dan ook het recept voor nieuw onheil. De eerste geluiden over mismanagement van het haastig in elkaar getimmerde Stabiliteitspact voor de Balkan zijn alweer gehoord.

Het Europees Parlement vormde de afgelopen weken geen rem op de ambities van de nieuwe ploeg. Integendeel: het vond Frits Bolkestein te weinig voortvarend in zijn plannen tot belastingharmonisatie. De Duitser Günther Verheugen kreeg applaus voor zijn ambitieuze uitbreidingsplannen. De Griekse Diamantoupoulou overkwam hetzelfde toen ze haar werkgelegenheidsbeleid ontvouwde.

Het probleem was dat het parlement meer met zichzelf bezig was dan met de vraag hoe doelen en middelen van de Unie beter met elkaar in overeenstemming kunnen worden gebracht. Gert Pöttering, de leider van de grootste fractie (EVP), was druk in de weer om bij Prodi nieuwe bevoegdheden voor het parlement los te peuteren; je moet maar durven, nadat je drie maanden geleden door dertig procent van de kiezers bent gekozen. Ver kwam hij dan ook niet. Prodi's toezegging van vorige week dat hij ,,ernstig'' zal onderzoeken of een individuele Commissaris vervangen moet worden die door een motie van wantrouwen van het Parlement is getroffen, komt wel heel erg in de buurt van een soortgelijke uitspraak van Santer op 3 maart van dit jaar.

Het Europees Parlement opereerde de afgelopen weken te veel als de bokser die geloofde dat hij in maart zijn tegenstander knock-out sloeg, en dat deze actie nog steeds verplichtingen schept. Maar het parlement sloeg zijn tegenstander helemaal niet knock-out; zijn bijdrage aan de val van de Commissie-Santer was hooguit indirect. Die Commissie vertrok op basis van een even kritisch als slecht onderbouwd rapport van een groepje Europese onderzoekers, het Comité van Wijzen, dat op aandrang van het Parlement was geformeerd, en wiens conclusies door datzelfde parlement werden gesteund. Het `whistle blowing' van EU-ambtenaar Paul van Buitenen, de onthullingen van de Franse pers over Cresson, en de druk van de publieke opinie speelden bij dat aftreden ten minste zo'n belangrijke rol. Enige zelfrelativering zou het Parlement, evenals de nieuwe Commissie, daarom niet misstaan.

Kees Versteegh is redacteur van NRC Handelsblad.