Engels centrum voor pop is zapmuseum

De Engelse staalstad Sheffield heeft geld ter beschikking gesteld voor een popmuziekcentrum dat het roestige imago van de stad moet veranderen. Architect Nigel Coates ontwierp een merkwaardig gebouw van `zwevende' cilinders bekleed met metaalplaten.

Centra voor popmuziek hebben een merkwaardige voorkeur voor roestige staalsteden. Vier jaar geleden werd de Amerikaanse Rock 'n' Roll Hall of Fame gevestigd in Cleveland, waar verdwenen hoogovens grote gaten in de stad hebben achtergelaten. Een paar maanden geleden werd het Engelse National Centre for Popular Music geopend in Sheffield, nog steeds beroemd om zijn harde staal maar toch zwaar gehavend door de teloorgang van de zware industrie.

Sheffield noch Cleveland kunnen bogen op een groot popmuziekverleden. Zoals Cleveland als popstad niet in de schaduw kan staan van San Francisco, Los Angeles, New York, Memphis of New Orleans, zo kan Sheffield ondanks staalstadmuzikanten als Joe en Jarvis Cocker de vergelijking met Manchester, Londen, Bristol of Liverpool niet doorstaan. Dat het Engelse `nationale centrum voor populaire muziek' nu in Sheffield staat, heeft dezelfde reden als de vestiging van de Rock 'n' Roll Hall of Fame in Cleveland. Net als Cleveland is Sheffield naarstig op zoek naar liefst culturele attracties die de roestige reputatie van de stad kunnen veranderen en net als Cleveland was de gemeente Sheffield bereid om grond en geld beschikbaar te stellen voor een popmuziekcentrum.

Maar verder gaat elke vergelijking tussen de Rock 'n' Roll Hall of Fame en het National Centre for Popular Music mank. Cleveland kreeg een keurige piramide van de oude Amerikaanse sterarchitect I.M. Pei, die bekende niets van popmuziek te weten. Sheffield is nu verrijkt met een popcentrum van een architect die wel raad weet met popcultuur: Nigel Coates, het voormalige enfant terrible van de Britse vormgeving.

Het National Centre for Popular Music is Coates' eerste grote proeve van bekwaamheid. Op grond van zijn eerdere, kleinere werken, waaronder de Nautilus- en La Forêt-restaurants op Schiphol, kon een uitbundig vormgegeven gebouw worden verwacht waarin elementen uit hoge en lage cultuur een vanzelfsprekend geheel zouden vormen. Deze verwachting is in het National Centre for Popular Music niet helemaal uitgekomen. Coates heeft het popmuziekcentrum een voor zijn doen ingetogen vorm gegeven: het is een viervoudige ode geworden aan Frank Lloyd Wrights beroemde cilindervormige Guggenheim Museum in New York.

Ondanks zijn ingetogenheid is het National Centre for Popular Music toch een merkwaardig gebouw geworden. Maar net zomin als de Rock 'n' Roll Hall of Fame is het Engelse popmuziekcentrum een rock 'n' roll-gebouw geworden. Want al propageert de directie van het centrum de vergelijking met een reusachtige drumkit, de cilinders lijken door hun `handvaten' bovenop nog het allermeest op de schijven die in de oude, kalme ijssport curling worden gebruikt.

De schijven vereisen een smetteloze uitvoering, maar juist hierbij heeft Coates een paar steken laten vallen. Aan de straatkanten rusten de met zacht glanzende metaalplaten beklede cilinders op een glazen plint, waardoor ze lijken te zweven. Maar bij de parkeerplaatsen zijn stenen uitbouwen geplaatst, die de contouren van de curlingschijven buitengewoon storen. Bovendien past het National Centre for Popular Music zich nu al hinderlijk aan bij het roestige imago van Sheffield. Een paar maanden na de opening worden de platen al ontsierd door talloze druipsporen.

Van binnen is het centrum verrassend gewoon: de vier cilinders hebben een heel eenvoudig interieur gekregen. De acht zalen van het popmuziekcentrum zijn ondergebracht in de twee verdiepingen tellende schijven, de kruisvorm ertussen dient, voorzien van een glazen dak, als de verbindingsruimte tussen de zalen. Zo is het centrum een gebouw zonder gangen geworden, dat overal overzichtelijk blijft en nergens dwingt tot het volgen van een bepaalde route. Beneden zijn twee café-restaurants, een boekenwinkel en een zaal voor tijdelijke tentoonstellingen gevestigd, die allemaal gratis toegankelijk zijn. Het eigenlijke National Centre for Popular Music, waarvoor de forse entreeprijs van 7,25 Engelse ponden moet worden betaald, is op de bovenverdieping gevestigd.

Het centrum is uitdrukkelijk niet bedoeld als een museum van de popmuziek. Anders dan de Rock 'n' Roll Hall of Fame wil het Engelse centrum geen pakhuis zijn van instrumenten, kleding en andere interessante dingen die eens hebben toebehoord aan beroemde popmuzikanten. Het centrum afficheert zichzelf als `'s werelds eerste interactieve attractie, gewijd aan popmuziek', maar interactiviteit en virtuele werkelijkheid kunnen nog niet in de schaduw staan van de reële werkelijkheid van pop-memorabilia.

In de verduisterde theaterzaal die de naam `Soundscapes' heeft gekregen, is weliswaar een verbluffend `driedimensionaal' geluid te horen, maar de speciaal gecomponeerde muziek bestaat uit niet veel meer dan vage klankwolken die ondanks hun bewegelijkheid al na een paar minuten hevig doen verlangen naar het einde van de voorstelling.

Op de afdeling `Turning Points' zijn voornamelijk films te zien die niet alleen abominabel worden geprojecteerd maar bovendien melig zijn. De zaal `Making Music', die het maken van popmuziek behandelt, doet nog het meest denken aan een heel grote muziekinstrumentenwinkel. Hier wreekt zich ook het gebrekkige karakter dat veel museale interactieve attracties nog steeds eigen is. Bij verschillende knoppen staat vermeld dat ze niet meer functioneren en als ze het wel doen, blijft de bediening ervan herhaaldelijk zonder merkbare gevolgen.

De enige aardige afdeling in het National Centre for Popular Music heet `Perspectives'. Hier worden in passend vormgegeven ruimtes `Grote Kwesties In De Popmuziek' behandeld, zoals het religieuze en rebelse karakter van popmuziek. Hier zijn allerlei mooie en beroemde fragmenten uit de geschiedenis van de popmuziek te zien en te horen.

Maar zelfs deze afdeling wordt geteisterd door de overdreven angst om te vervelen die het hele `National Centre For Popular Music' beheerst. De fragmenten zijn zo kort, dat ze ten slotte alleen maar leiden tot ergernis over alles wat men langer had willen bekijken, maar niet te zien krijgt. Zo is de `eerste interactieve popattractie' niet meer dan een irritant zapmuseum geworden.

The National Centre for Popular Music. Paternoster Row, Sheffield. Geopend: dagelijks 10-18u. Laatste tijdstip van toegang: 15.30 u.