De CNN-factor

Minister J.J.van Aartsen heeft vorige week een interessante rede gehouden. Na minister Bram Peper is hij de tweede die zich in het openbaar verdiept in de grondslagen van zijn vak. Met zulke achtergrondinformatie kan men zich een beter beeld vormen van wat in het hoofd van de bewindsman omgaat als hij niet in beslag wordt genomen door zijn directe besognes.

De minister begint met het schetsen van een gevaar dat ons in de `informatiemaatschappij' bedreigt: de information overload, het eigentijdse door-de-bomen-het-bos-niet-zien (informatie-infarct, zeggen de pessimisten zelfs). Dit is niet het enige probleem. ,,We worden'', zegt de minister, ,,wat al te gemakkelijk op sleeptouw genomen door de berichtgeving van de media. Dit noem ik de CNN-factor.'' Deze snelle berichtgeving is een veel te smalle basis om belangrijke beleidsbeslissingen te nemen. Bovendien, zegt de minister, laat ,,de kwaliteit van de berichtgeving steeds meer te wensen over. Door het prisma van de media worden van seconde tot seconde de boodschappen aan ons doorgegeven. De druk van de hoofdredacteur om een scoop te maken wordt steeds groter. [...] Het nieuws krijgt zo steeds meer een soap-gehalte. [...] Burgers en politici – geconfronteerd met mensonterende beelden – scharen zich binnen luttele uren achter een of andere zaak. De roep om harde actie klinkt dan luid.'' Een doordacht buitenlands beleid, zo vat ik het samen, heeft een steviger grondslag nodig dan de ogenblikkelijkheid van de `CNN-factor'. Tegenover dit te snel, te veel en te vaak slecht moet de bewindsman het hoofd koel houden.

Op 17 januari 1991 begon onder leiding van de Verenigde Staten de luchtoorlog van de Coalitie tegen Irak, een paar weken later gevolgd door de landoorlog. Het was, en is waarschijnlijk nog, publicitair de best voorbereide militaire operatie in de geschiedenis. Door de zorgvuldige regie van president Bush, de ministers Baker en Cheney en de generaals Powell en Schwarzkopf, werden de twijfelende Amerikaanse publieke opinie en het Congres via de media ten slotte van de noodzaak overtuigd. Toen de oorlog aan de gang was, heeft Peter Arnett (CNN) in Bagdad niet weinig tot het moreel van het publiek bijgedragen.

In de zomer van dat jaar begonnen de Joegoslavische secessie-oorlogen. Vier jaar lang was aan schokkende beelden geen gebrek. Op de televisie was nauwkeurig te volgen hoe stad na stad werd verwoest, terwijl staatsman Karadzic en veldheer Mladic de ministers van Buitenlandse Zaken bij de neus namen. Soap zou ik het niet willen noemen. De regeringen van het Westen weerstonden alle roep om interventie, o.a. met verwijzing naar het nieuwe axioma van de buitenlandse politiek: dat televisie niet de grondslag voor oorlogvoering is. Toen Bosnië in een onherstelbare puinhoop was veranderd, en de Kroaten – door Washington bewapend – de Krajina voor de tweede keer etnisch hadden gezuiverd, volgden de bombardementen die tot het akkoord van Dayton hebben geleid. De `CNN-factor' was in die fase van geringe invloed geweest.

Intussen was, tussen 1992 en 1994, de interventie in Somalië mislukt. Eén van de oorzaken is waarschijnlijk het ondoordachte optimisme waarmee de Amerikaanse regering aan deze operatie in de chaos is begonnen. Een belangrijke oorzaak van het einde werd gevormd door de schokkende beelden van een dode Amerikaan, achter een Somalische vechtwagen door het stof gesleept. Of we aan deze televisiebeelden een `hoog CNN-gehalte' willen toekennen? In ieder geval keerde de Amerikaanse publieke opinie zich definitief tegen de onderneming, en daarmee was het slot in zicht.

Nog één voorbeeld. In de zomer van vorig jaar werd het duidelijk, onder meer door schokkende beelden en waarschuwingen van verstandige columnisten (ik noem William Pfaff, Anthony Lewis), dat Kosovo het volgende grote strijdtoneel zou zijn. Maar zoals we weten had de Amerikaanse publieke opinie andere zaken aan het hoofd, een politiek vraagstuk dat een echte soap benaderde. `De media' – ik vrees deze keer allemaal – slaagden er niet in, zich aan de dol geworden politici en openbare aanklager te onttrekken. Pas nadat via de media weer duidelijk was geworden dat in Kosovo de volgende catastrofe in ontwikkeling was, werd over de `internationale gemeenschap' de aandacht vaardig. Dat resulteerde eerst in Rambouillet, en wat vervolgens is gebeurd, weten we allemaal nog.

Nadat (volgens de beste bronnen) tot verbazing van de NAVO drie weken luchtoorlog niet het gewenste resultaat hadden gebracht, wist men het een ogenblik niet meer (werd men genoopt tot nieuw beraad). Intussen hadden de dagelijkse schokkende beelden van de vluchtende Kosovaren de publieke opinie van het Westen verder geharnast, wat het de NAVO gemakkelijker heeft gemaakt de luchtoorlog tot het einde door te zetten. Zou je kunnen zeggen dat de `CNN-factor', en het `soap-gehalte' in de berichtgeving de NAVO danig heeft geholpen? Het door minister Van Aartsen aangeroerde vraagstuk – niet van vandaag of gisteren – is de nooit harmonische driehoeksverhouding tussen bestuur, media en openbare mening, die al sinds de uitvinding van de rotatiepers de democratie eigen is. Hij zal het nog weten uit de tijd dat hij het varkensprobleem moest oplossen. Er waren te veel en ze moesten worden geruimd (nog trouwens), maar een deel van het publiek, avond aan avond naar CNN-achtige beelden van dode varkens kijkend, koos, `door emoties bewogen', partij voor de krulstaarten, terwijl het landsbelang toch moest prevaleren.

Een massa in heftige beroering kan geen buitenlandse politiek ontwerpen. Dat bedoelt de heer Van Aartsen, en daarin heeft hij gelijk. Een minister kan wel een massa opzwepen om zijn politiek te steunen. Daarvan hebben we veel voorbeelden. Joseph Goebbels was de beste. Dit willen we niet. Een buitenlandse politiek, zeker als het om oorlog en vrede gaat, heeft haar politieke beperkingen waarvoor een groot deel van het publiek niet meteen ontvankelijk is.

Maar in ieder geval moet er een solide steun in de openbare mening zijn. Daarvoor heeft de minister de media nodig. Dan onderscheidt hij media die hij beter kan gebruiken dan andere, maar in onze democratie heeft hij het niet voor het zeggen. Kwaliteit of geen kwaliteit, met of zonder scoop-eisende hoofdredacteur, ze doen allemaal mee. Dit is dan een gebrek van de democratie, dat tegenwoordig door de vrije markt wordt bevorderd. Soms werkt de `CNN-factor' mee, dan weer zit de soap de minister tegen. Het hangt er ook vanaf hoe de bewindsman zich uitdrukt. En de media bestaan niet.

    • H.J.A. Hofland